Slim, slimmer, slimst

november 5, 2008

‘Jemig, Linda, wat ben jij vandaag chagrijnig zeg!’
Tja. Daar zit je dan op een zondagmiddag aan de thee met je nietsvermoedende ouders. De bedoeling was dat het gewoon een gezellige aangelegenheid zou worden, maar in plaats daarvan roer je met een grafkop verwoedt door je thee zonder suiker.
Thee zonder suiker?
Nee, dat was geen typfout en ja, dat las je goed. Door alle tentamenstress van de afgelopen twee weken heb ik als een kip zonder kop van alles naar binnen zitten schrokken, variërend van simpele chocoladerepen tot compleet bemetselde toastjes met alles erop en eraan. Ja. Van stress ga je eten. En van dat eten krijg je spijt. En van al die calorieën duik je helemaal in elkaar.

Dus zit er niets anders op dan eens een weekje gezond te leven. Te balansen. Te diëten. Er met mijn bril op het puntje van mijn neus streng op toeziend dat de calorieën die ik binnenkrijg niet die hardvochtige grens overschrijden. En vooral wat vaker naar die stof verzamelende appels in dat eenzame hoekje van de keuken te grijpen.

Maar je wordt er wel strontchagrijnig van.

Ik snap echt niet hoe mensen dat volhouden. Bovendien helpt het vaak ook niet eens, aangezien iedereen wanhopig op zoek is naar ‘gezonde vervangers’ voor die verleidelijke chocoladereep met van die goddelijk smeuïge caramel aan de binnenkant, of voor die aanlokkelijk krakende zak chips die je naam wel lijkt te roepen.
Een onmogelijke opgave?
Ja, natuurlijk, maar diehard diëters blijven hardhoofdig beweren dat zij dé oplossing hebben gevonden: in plaats van vette zoutjes grijpen we beschaafd naar de light-chips en in plaats van die chocoladereep ‘kiezen we bewust’ voor de Chocolate Low Fat Ice Cream Sandwich van Slimfast.

Hoor eens, denken ze echt dat dát nut heeft? Je wil niet ‘dik’ meer zijn, maar light-dik kan wel? Hoe wil je dat voor elkaar krijgen? Waarom trapt iedereen daar altijd toch in? Juist omdat er minder calorieën inzitten, neem je er bijvoorbeeld veel makkelijker meer van (zo kun je zelfs uiteindelijk nóg meer calorieën binnenkrijgen dan voorheen) en bovendien kost het je klauwen met geld. Denk maar niet dat de dieet-trend onopgemerkt blijft bij die fabrikanten als Slimfast; die maken er maar al te graag begerig (en slim) gebruik van. En uiteindelijk worden we er van de schrikbarend hoge prijzen ook weer niet vrolijker op. We blijven dus niet alleen dik, maar ook nog eens chagrijnig. Daar krijg je trouwens heel snel rimpels van, wist je dat? …WAT? Ook dát nog! Scheld, tier, raas. Gezellig hoor, diëten.

Hmm. Ik denk dat ik morgenochtend gewoon maar weer een ouderwets flinke schep suiker in mijn thee gooi.
Dat is beter voor ons allemaal.

Weer of geen weer?

oktober 24, 2008

Misschien is dit een heel afgezaagd onderwerp, maar ik wil het er toch nog eens over hebben: het weer. Ik weet het, niet bijster origineel, maar – ho. Wacht nou eens even. Waarvoor zit ik die excuses nu eigenlijk te maken? Waarom beschouwen we ‘het weer’ hier eigenlijk als het gevreesde onderwerp, dat alleen ter sprake komt als er een onhandige stilte valt? Of dat handig van pas komt bij de mensen die je eigenlijk niet mag, maar die je ook niet straal kunt negeren? Of dat misschien die vrijwel mislukte date toch nog ietsje minder pijnlijk kan maken (of juist niet)?

Niemand kan ontkennen dat het in de bovengenoemde situaties wel heel erg van pas komt, maar je kunt mij ook niet wijsmaken dat je het er anders nooit over hebt.

Nee, wij Nederlanders praten nergens anders meer over, al eeuwenlang. En geef ze eens ongelijk. Het weer vraagt er ook gewoon om.

Het slaat toch ook helemaal nergens op?

Neem nou gisteren, bijvoorbeeld. Nadat mijn wekker heel bruut was afgegaan, opende ik moeizaam mijn ogen, waarna ik de deken met een groot gebrek aan energie van me af sloeg. Ik strompelde voetje voor voetje naar mijn raam en opende voorzichtig de gordijnen… Goeiemorgen! Verblind door de felle stralen zonlicht, maar ook aangemoedigd door de welkome warmte, gooi ik mijn gordijnen verder open. Dit is fantastisch! Een stralende zon. Een ongelofelijk strakblauwe lucht. Geen wolkje te zien. Vrolijke, luid kwinkelerende vogeltjes. Het is schitterend.

De volgende dag stap ik, een stuk kwieker dan de vorige ochtend en met hernieuwde krachten, mijn bed uit. Vol goeie moed gooi ik de gordijnen open en… Nope. Vergeet het maar. Wolken. Wolken, overal waar ik kijk. Niet te grijs, ook. En vooral die regen! Onvriendelijk, bijna dreigend, beukt het onophoudelijk tegen het raam. Ik voel die gure kou nu al. Brr. Oh, bittere duisternis.

Zie je wel? Valt geen touw aan vast te knopen. Dus bij dezen, lieve mensen, wil ik voorstellen ‘het weer’ juist als hét onderwerp van de dag om te dopen. Val in elkaars armen, huil uit op elkaars schouders en vooral: gooi het eruit!

We weten hoe het voelt.

Shopping spree

oktober 14, 2008

Heel leuk, hoor, dat winkelen. Alleen een beetje jammer dat je niet in één oogopslag kunt zien of die broek je inderdaad zo fantastisch staat als je van te voren hoopt.

Nee, in plaats daarvan sta je jezelf op een late dinsdagmiddag zwetend in een overduidelijk veel te kleine broek te wringen. Hè, hoe kan dat nou? Je lijkt opeens drie maten groter nodig te hebben.
‘Ze vallen heel klein, hè!’ Waarschuwt de verkoopster je dan, terwijl ze de gordijn ongevraagd open ritst.
Aha. Dat verklaart een hoop.
Ongeduldig wurm je je weer uit de broek en vraag je om een grotere maat. Die ze niet meer hebben.

Zucht. Het zou me niet verbazen als een soortgelijk scenario je maar al te bekend voorkomt. Passen. In een pashokje. Meestal niet bepaald de leukste bezigheid, want behalve dat er dingen zijn die je besluit wél te kopen, zitten er eigenlijk nog veel meer artikelen tussen waarvan je diep van binnen wenste dat je ze nooit aan had gepast. Die broek maakt je kont namelijk veel te dik, dat vest is ook al te klein, om over dat hemdje nog maar te zwijgen. En dat shirt, je lijkt er wel zwanger in!
Verschrikkelijk.

Toch zijn het geen monsters, die winkeliers. Ze proberen het hele proces zelfs wat aangenamer te maken, door de pashokjes te voorzien van allerlei handige snufjes.

Zoals dat volledig-niet-aansluitende roodfluwelen gordijn, wat ze voor de opening hebben gehangen. Ja, inderdaad. Ik voel me meteen een stuk gemakkelijker als de halve winkel kan meegenieten van passessies in mijn ondergoed.
Of dan de belichting. Het maakt niet uit waar of in welk pashokje dan ook, overal hebben ze zo’n meedogenloze, allesverwoestende spotlight hangen, zo recht uit het plafond, waardoor plotseling alle zorgvuldig weggepoederde oneffenheden drie keer zo gigantisch lijken dan dat ze in werkelijkheid waren (…toch?).
De spiegel is trouwens wel kolossaal. Handig, zeg je? Jawel, alleen is het pashokje zelf dan weer zo minuscuul dat je eigenlijk gedwongen bent om op je tomaathoofdigst het pashokje te verlaten om jezelf er beter in te kunnen bekijken, terwijl de vrouw-van-het-pashokje-hiernaast je ongegeneerd aan kan gapen en vervolgens ongetwijfeld tot de conclusie komt dat die broek die ik aanheb haar pertinent beter staat.

Omgekleed en wel wandel je, wankelend onder het gewicht van al die kledingstukken die je onhandig over je linkerarm hebt gekwakt, het pashokje weer uit.
‘Die worden het?’ Vragend wijst de verkoopster naar je trillende arm.
‘Eh, nee. Alleen deze,’ antwoord je, en je houdt maar liefst één broek omhoog, die onopvallend over je veel minder belaste rechterarm had gehangen.
‘Oh.’
Moet ze al die honderdtweeënzeventig kledingstukken terug gaan hangen.

Oh, als je dan toch bezig bent: haal dan meteen even een stofdoek door je pashokjes, wil je?

De wonderen zijn de wereld uit

september 29, 2008

‘Hey.’
Ik had hem niet aan zien komen lopen. Plotseling stond ie daar gewoon, met zijn lunch op een blad, klaar om naast me komen te zitten. Oh, shit. Snel klap ik mijn mobieltje open en doe alsof ik in een heel belangrijk gesprek zit met een niet-bestaand persoon aan de andere kant van de lijn.
‘Oké…’ verontwaardigt maakt hij een rechtsomkeert. Poeh. Dat ging maar net goed.
‘Wat doe je nou?’
Mijn vriendin kijkt me vol ongeloof aan. Ik klap mijn mobieltje weer dicht een keer mijn gezicht wat naar haar toe.
‘Kijk dan!’ Zeg ik vol walging, terwijl ik mijn haren achter mijn oor doe. ‘Een puist.’
Mijn vriendin knikt begrijpend. Plotseling grijpt ze me bij mijn arm. ‘Probeer dan eens Clearasil Ultra,’ stelt ze enthousiast voor, met een onnoemelijk grote grijns op haar gezicht, ‘geloof me, je hebt in een gavere huid in slechts drie dagen!’

Eén van mijn vakken die ik krijg op de universiteit is Oriëntatie Televisie. Hier leer ik van alles over de geschiedenis van televisie, televisiegenres en de invloed die televisie op allerlei manieren op verschillende mensen kan hebben. En als er iets invloed heeft op mensen, dan is het wel reclame.
Bovenstaand voorbeeld is een stukje uit één van de meest recente Clearasil-reclames. Dat het zo niet gaat in het echt, is wel duidelijk. Meestal gedragen je vriendinnen zich niet als een stel wandelende reclameaffiches en voor zover ik me kan herinneren hebben de meeste pubers wel meer dan één puistje om zich druk om te maken.

Dat is dan ook één van de redenen waarom ik er zo’n verschrikkelijke hekel aan heb. De hoofdpersoon in het spotje klaagt hemel en aarde bij elkaar. En waarom? Omdat ze toevallig een door de computer gegenereerd microscopisch klein rood vlekje op haar wang heeft zitten, wat overigens in de verste verte niet eens lijkt op een puist.
Ik bedoel – wat is haar punt eigenlijk?
Geen wonder dat normale pubers (die toevallig niet hun hoofd even door Photoshop kunnen rollen) met diep gezucht verderzappen, zich afvragend of dat belachelijke spul ook op hele bergruggen zou werken.

En om er nog maar even een schepje bovenop te gooien, doen er momenteel twee van die absurde spotjes de ronde: er is ook een versie met een mannelijk hoofdpersonage.
Eigenlijk is die nog veel erger.
Nadat ook zijn ‘puistje’ op magische wijze de benen genomen heeft, ziet hij de volgende dag het meisje dat hij leuk vindt op het schoolplein lopen. En omdat reclames altijd zo lekker realistisch zijn maar niet heus, kun je vast niet raden wat er dan gebeurt: hij komt met een razende vaart op haar af geskateboard, struikelt half en laat zich vervolgens bovenop het arme schaap vallen.
Hoor eens, ook al gebruik je dan Clearasil, er staat toch echt alleen maar op de verpakking dat je ‘een zichtbaar gavere huid in slechts drie dagen!’ krijgt. Er stond nergens iets over het aanranden van elk willekeurig meisje. Het moet toch niet gekker worden?

De Puist is steevast nep, ze hebben er ook altijd maar één en plotseling zijn zij wél bevoegd om dingen te doen waar elk ander normaal mens tien jaar celstraf voor zou krijgen. En ze vinden het nog normaal ook.

…Zoals ik al zei, ik heb er een verschrikkelijke hekel aan.

Never too busy

september 12, 2008

Sinds twee weken zit ik op de Universiteit van Amsterdam. Ik mag mezelf dus officieel studente noemen, volg colleges in plaats van lessen en ben niet meer onderdeel van een klas, maar van een bescheiden werkgroepje.

Of ik niet een beetje moet wennen? Goh. Is dat een strikvraag of verberg ik het gewoon heel goed? Natuurlijk moet ik wennen, dat moet ik nog steeds. Ik blijf studenten hardnekkig leerlingen noemen, heb het over ‘school’, ‘huiswerk’ en meer van dat soort gekkigheden en kan er nog steeds niet over uit dat het boek Film History: an introduction niet alleen 788 bladzijdes beslaat, maar daarbij ook nog eens 1,7 kilo moet wegen. Belachelijk.

Niet alleen lijken alle boeken onnatuurlijk drie keer zo dik als boeken op de middelbare school, ook neemt niemand de moeite om ze te vertalen. Alles is in het Engels. Je kunt natuurlijk niet elk onbekend woord opzoeken in het woordenboek, maar als je de eerste alinea voor de vijfde keer leest en nog geen flauw idee hebt waar ze het in godsnaam over hebben, zakt de moed je toch wel flink in de schoenen. Zeker als de hoofdstukken per stuk niet uit een softe vier, maar uit een royale veertig bladzijdes bestaan.

En het blijft ook niet bij één hoofdstuk. Vooral bij het vak Geschiedenis en Audiovisuele Cultuur lusten ze er wel pap van: niet één, maar twee volledige hoofdstukken per week! En als we dan toch zo lekker achterlopen met z’n allen, staan er voor volgende week een schamele drie hoofdstukken op het programma. En dan doen we er ook gewoon nog wat begeleidende teksten, filmfragmenten en voorbereidingen bij. Alsof het niets is. En het is inderdaad niet niks, want je moet het ook allemaal onthouden. Over vijf weken staan namelijk de eerste drie tentamens al ingepland.

Als daar dan nog bij optelt dat ik geen bijster stressbestendig persoon ben, kun je wel nagaan hoe lekker ik daar bovenop ook nog slaap.

Maar voor ik alle nog middelbare-school-gangers de stuipen op het onschuldige lijf heb zitten jagen: er zitten ook leuke kanten aan (ergens), je went heus wel aan het nieuwe studentenleven (uiteindelijk) en het komt vast helemaal goed (ooit). Dus maak je vooral niet druk!

Dat doe ik namelijk ook nooit.

Kiss my dress

augustus 18, 2008

Met mijn hoofd in mijn nek staar ik bewonderend naar boven. De grote letters, die dat oh zo bekende woord vormen, glanzen me uitnodigend toe. Plotseling schrik ik op uit mijn dromerige gestaar. Iets of iemand roept me. Ik scheur mijn blik los van het dure woord boven me en kijk ongegeneerd naar binnen. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes om te zien waar dat zalige geluid vandaan komt, en – opeens stokt mijn adem in mijn keel. Daar is ze. Oh, ze is prachtig. Fabuleus. Uitzonderlijk. Fantastisch. Het is alsof ze me roept.
‘Kom, kom toch binnen!’ Kirt ze, terwijl ze uitnodigend met haar satijnen linten wappert. Ik weet dat het geen zin heeft, voel mijn portemonnee protesterend in mijn jaszak zitten. Niet dat dat me tegen kan houden, natuurlijk. Ik haal even diep adem en stap dan, een tikkeltje aarzelend, de net zo glanzende drempel over. Nee, niets houdt me nu nog tegen.

Een euforisch gevoel in mijn buik. Ik ben er, I made it! Met één blik in de winkel verdwijnt het gevoel meteen, maar ik probeer er niet aan te denken en doe net alsof ik hier ook hoor. Ik kom hier dagelijks, ben hier vaste klant, schaf hier hele garderobes aan en glimlach onovertuigend naar één van de bovenmenselijk hippe verkoopsters, om mijn eigen beweringen kracht bij te zetten. De verkoopster fronst haar voorhoofd (denk ik, want ik zie geen rimpel), ten teken dat mijn poging finaal mislukt is.
Maar ik laat het daar natuurlijk niet bij zitten. Ik ben nu immers al binnen. En bovendien is dit fantastisch. Ik hou mijn adem in als ik over de zachte stof strijk en de perfect afgewerkte kanten biesjes bewonder. Zelfs de veel te harde, maar ongetwijfeld ontzettend hippe rapmuziek, die uit onzichtbare speakers bonkt en mijn trommelvliezen binnen nu en tien minuten compleet zal verbrijzelen, kan me niet meer kwellen. Ik heb haar nu binnen handbereik.

‘Kan ik je ergens mee helpen?’ Geschrokken kijk ik op, recht in het gezicht van één van de ultrahippe verkoopsters. Ze slaat haar armen ongeïnteresseerd, maar uitdagend, over elkaar. ‘Ben je naar iets specifieks op zoek?’ Blaft ze verder. Ze probeert me keer op keer heel strategisch net niet aan te kijken en begint dan met maaiende armen in het rek te zoeken. ‘Welke maat heb je?’ Maar nog voor ik antwoord kan geven, duwt ze me al een adembenemend exemplaar in mijn handen. Het is een L. ‘Ze vallen heel klein,’ snauwt ze, als ik haar vragend aan probeer te kijken. Aarzelend strijk ik weer over de soepele, zachte stof en verlangend reiken mijn vingers naar het prijskaartje –
‘Tweehonderdtwintig euro,’ bitst ze op een vergeet-het-maar-toon, nog voor ik zelf heb kunnen kijken. Oh. In dat geval. Dan zijn ze hier nog erger dan ik dacht. Met pijn in mijn hart druk ik de jurk weer in de armen van de verkoopster. ‘Sorry, het is toch niet helemaal wat ik zoek,’ zeg ik, nog voor ze me kan afbekken. Haar gezicht vertrekt en met een kattig ‘tot ziens!’ kijkt ze me de winkel uit.

Tweehonderdtwintig euro?

Kiss my dress.

Apply some pressure

augustus 11, 2008

Gisteravond was het dan eindelijk zover. Dagen had ik er al naar uitgekeken, weken, maanden. Het Maxïmo Park-concert.

Om kwart voor acht (een kwartier te laat), begon het voorprogramma. Eerst was ik blij, verheugd. Eindelijk begon het dan echt, eindelijk ging iedereen staan, eindelijk! De lichten in de zaal werden gedimd, het geroezemoes verstomde. Verwachtingsvol staarde iedereen naar het podium…

Een man met een oenig brilletje en een misplaatst houthakkersshirt kwam het podium oplopen. Ik keek naar de linkerkant van het podium, er vanuit gaand dat de rest van de bandleden er zo wel achteraan zouden komen, maar deze man was de enige. Ja, voor nu misschien, dacht ik schouderophalend. Hij zou gewoon beginnen en dan zouden de rest van de bandleden straks met veel kabaal en een hoop circus plotseling uit het niets verschijnen. Ja. Geweldig! Wie bedenkt er nou zoiets? Dat is dé perfecte afleiding voor eventuele sporen van ongeduldigheid.

Toen het laatste akkoord van het (overigens uiterst rustige) eerste nummer door de zaal galmde (hoewel het daarvoor eigenlijk niet hard genoeg klonk), schoten er weer een duizend paar ogen naar links. Waar bleven die bandleden toch?

Tot ieders verbazing mompelde de volstrekt onopvallende man iets in het Engels wat leek op dat ‘het volgende nummer zus en zo heette’ (volstrekt onverstaanbaar was ie ook nog, ja). Wat? Hoe bedoel je ‘het volgende nummer’? Kwamen de bandleden deze arme man niet helpen? Was er dan niemand in de zaal die een poging ging doen om hem te redden? Was er dan niemand dapper genoeg?

Blijkbaar niet. De man bleef hardnekkig in de microfoon kwelen, terwijl hij zachtjes over de snaren streek. Nee, aaide. Was dit soms een grapje? Dit konden ze toch niet menen? Was dít, God sta ons bij, het voorprogramma? Ik ben al velen concerten afgestruind, heb al velen verschillende soorten voorprogramma’s meegemaakt. Ik heb zelfs al een keer eerder een voorprogramma gehad wat ook bestond uit één enkele jongeman. Maar die zag er tenminste niet uit of ie, meer dood dan levend, met z’n lippen aan de microfoon vastgeplakt zat alsof het zijn infuus was dat hem op een haartje na in leven hield. Die máákte er tenminste nog wat van, probeerde ons te vermaken, kon ons entertainen.

Deze man, daarentegen, had er overduidelijk geen kaas van gegeten. Dapper probeerde hij ons elke keer als hij even stilviel er weer van te overtuigen dat er een nieuw nummer aankwam, maar ik was er eigenlijk meer van overtuigd dat hij één en hetzelfde, lange, saaie nummer steeds maar onderbrak om het geheel (als dat er was) nog een beetje vorm te geven. Het leek wel alsof ie steeds hetzelfde speelde en ik steeds luisterde naar eenzelfde aanéénschakeling van terneergeslagen gebrabbel, zijn ogen gesloten alsof hij zijn uiterste best deed om het zo mooi (lees: gedeprimeerd) mogelijk te maken, maar hoe harder hij zijn ogen dichtkneep, hoe harder ik moest proberen een ongegeneerde geeuw te onderdrukken.

Ik vond mezelf daarom nog best een aardig publiek. De rest van de zaal klapte weliswaar beleefd na elk ‘nummer’, maar terwijl hij depressief in zijn microfoon jeremieerde, blafte iedereen er gewoon asociaal doorheen. Niet zo gek, ook. In plaats van dat ik uit mijn dak stond te gaan in deze legendarische rocktempel, probeerde ik me slaperig kostte wat het kostte op zijn teksten te concentreren. Het enige wat ik echter deed was flarden van gesprekken opvangen die nog interessanter waren dan het kattengejank van deze eeuwenoude mummie.

Toen het plotseling weer helemaal stil was (niet dat iemand dat had gemerkt), kondigde hij levenloos aan dat ‘this the first song on the album’ was. Pardon? Zag je duizend gezichten vol walging uitdrukken, er bestaat een heel album van deze ongein? God save us all. En opeens, helemaal uit het niets, begon ie op zijn gitaar te rammen, alsof er iets in hem is dat knapte (een uiltje, misschien?). Even dacht ik dat ie het licht had gezien, dat deze ‘song’ de avond voor hem nog zou kunnen redden, maar nog geen twee seconde later begon ik weer te knikkebollen. Het was zeker een schijnbeweging, want langzaam maar zeker pijnigde het neerslachtige gejengel mijn oren weer onophoudelijk. Oh, meedogenloosheid.

Terwijl de zaal steeds rumoeriger werd bij elk zogenaamd nummer dat deze dooie pier aankondigde, begon hijzelf op een gegeven moment ook te merken dat niemand zijn teksten kende en hij, pijnlijk genoeg, overduidelijk wel de laatste persoon op aarde was van wie wij überhaupt ooit teksten mee zouden wíllen zingen. Toen hij zijn ogen weer opende, het publiek uit medeleven een soort applaus-in-wording liet horen en er wat sarcastisch gefluit en gejoel klonk, zei hij opeens:

‘This song is very special and it’s the most beautiful when you’re very, very quiet. But feel free to keep on talking on this very loud volume.’

Verschillende monden vielen open van verbazing. Ogen schoten verontwaardigd naar het podium. Wát? Ik begon furieus zwaarder te ademen. Wát zei hij? Hij probeert zijn ongetwijfeld verschrikkelijke leven gedeprimeerd met ons te delen en dan hebben wij het zeker gedaan? Hij zit de show hier een beetje kannibalistisch te vergallen en dan is het zeker onze schuld? Hij weet de naam van deze prachttent te bezoedelen en dan denkt ie dat ie daar ongestraft mee weg kan komen?

Gelukkig waren wij in ieder geval niet degene die voor paal stonden.
Dat scheelt.

The Big Apple staat weer eens op zijn kop. Levenloos lig je op de koude tegelvloer in je appartement, waar ze je gevonden hebben. Paniek. Commotie. Chaos. Na een halve dag zijn niet alleen vrouw en kind ingelicht, maar kun je er zonder overdrijven van uitgaan dat de hele wereld ervan op de hoogte is. Niet slecht.

Hoezo ‘what else is new’? Ik ben heus niet op mijn achterhoofd gevallen en ik heb de afgelopen maanden ook niet onder een steen gezeten. Ik ben springlevend en als ik niet beter zou weten, zou ik bijna zeggen dat hij dat ook was. Ik wéét dat hij al meer dan een half jaar geleden het loodje heeft gelegd, maar als het z’n keuze was geweest om onder de groene zoden te liggen, had ie zich vast omgedraaid in zijn graf, puur uit verveling. Tja, je moet toch wat.

Maar zonder ziel is het nu eenmaal een beetje lastig allemaal. En toch… Wie geprezen wil worden, moet er blijkbaar eerst voor sterven. Vrijwillig? Da’s weer een heel ander verhaal. De dood heeft geen kalender en daarom hebben wij ook geen enkel recht om hem suïcidaal, een ongelofelijke oen, hulpeloos verslaafd of De Pineut te noemen. Niemand zal er ooit achter komen waar ie op dat moment aan dacht, of hoe hij zich al die tijd nou echt voelde.

Maar is dat dan eigenlijk nodig? Is dat dan nodig als je nu nog steeds briljant kunt schitteren in een film-goes-kaskraker, smoezelig geschminkt en krankzinnig als een schizofreen? Is dat überhaupt nog nodig als je er bijna zeker van kunt zijn dat je er een Oscar voor in de wacht zal slepen, ook als je niet in staat bent hem op te komen halen, in levende lijve, met een stotterend praatje, een hoop plastic glimlachjes en een portie onvrijwillig geschudde handen tussendoor?

Welnee.
Je hebt het of je hebt het niet.
En hij had het niet. Hij heeft het.

Weet jij al hoe je je kinderen later gaat noemen? Hoe zou je geheten hebben als je een jongetje was geweest? Wat betekent jouw naam?

Waar iedereen zich tegenwoordig al niet druk om maakt. Een naam geven aan een kind is niet zo eenvoudig meer als het altijd was. De tijden van Jan, Klaas, Piet, Katrijn en Mies zijn voorbij, we wikken en wegen wat af voor we ons kind prijzen met de meest uiteenlopende creaties en verzinsels. Alles kan tegenwoordig fungeren als naam, niets is men nog te dol en als je niet kunt kiezen tussen twee namen? Dan plak je ze toch gewoon achter elkaar. Prima.

Maar de naam zelf doet er nog niet eens zo heel erg toe. Nee, het tweede punt waar men nu op moet letten, waar het nu allemaal om draait, is de betekenis. Ooit over nagedacht waar jouw naam vandaan komt en wat het betekent? Nee? Oh. Maar je ouders wel, geloof mij. Je kunt je kind tegenwoordig niet roekeloos een naam toegooien, er moet een diepe betekenis achterzitten, het liefst een heel verhaal. Je ligt nog in de wieg, maar je hebt bij wijze van spreken al geschiedenis geschreven.
Tja, anders hoor je er simpelweg niet bij, dan tel je gewoon niet meer mee. Wat? Betekent jouw naam niet iets als de geweldige, intelligente of onverslaanbare? Dan kun je dus wel naar je toekomst fluiten. Dat wordt nooit wat met die baan later.

Maar als ik om me heen hoor wat al die namen betekenen, ben ik ervan overtuigd dat het goed komt met iedereen. De stralende, de schitterende, roemvolle strijder, zee, de geliefde, van edele afkomst, genadig, lieflijk, geboortedag van Christus, maan, hij ziet uit naar God, de kleine krijgshaftige, glanzende, overwinning, sterk in de strijd, vrouw uit Judea, bloeiend, bekoorlijk, ik zweer bij God, zegevierende strijdster, lelie, laurier, geweldige, vrede, de wilskrachtige beschermer, strijdende steun, bewerker van de aarde, morgenstond, de leven gevende, ster, lieflijke jonkvrouw, de blanke vruchtbare, vrije man, bosweide van Cyneburg, honingbij – ik bedoel maar. Ik ruik hier een succesvolle carrière en proef de perfecte levenspartner, waar de meest fantastische gezinnen uit voor zullen komen.

Of dat voor mij ook is weggelegd? Nou, ik wacht in spanning af.

Linda: verkorte vorm van namen met de Germaanse stam “Lind” (schild van lindehout of slang).

… Juist ja. Ze hadden ook gewoon meteen voor ‘gedoemde mislukkeling’ kunnen kiezen. Verdomde Germanen.

M9 HE-DP Grenade

juli 12, 2008

‘Nou, ik ga er weer even een paar afknallen, hoor!’

Je zou het niet zeggen, maar dit is een doodgewone scène uit ons veilige, huiselijke leventje. Dagelijks krijg ik dit soort opmerkingen naar mijn hoofd geslingerd, elke avond klinkt het weer even moordlustig.

Of ik me bedreigd voel? Welnee. Waarom zou ik ook?

Ja, natuurlijk, ietwat ongeduldig duwt hij de CD-rom in zijn computer en agressief rammelt hij vervolgens op zijn toetsenbord omdat hij niet kan wachten, maar verder is er niets gevaarlijks aan een vader die graag Halo speelt na het avondeten.

Het is één van zijn van zijn favoriete hobby’s, sinds een aantal maanden is hij niet meer weg te slaan bij zijn computer. Alles draait alleen nog maar om het grote aantal monsters dat hij moet verslaan, de wapens die hij daarvoor heeft en de aanwijzingen die hij hiervoor krijgt. Ik weet niet wat zijn leerlingen hem als Wiskunde-leraar hebben aangedaan, maar hij reageert zich dagelijks af op zijn toetsenbord en weet zelfs de meest afschuwelijke schepsels te verslaan (…wat zou hij dan doen met de meest vervelende leerlingen?).

En als hij dan na het eten zijn vertrouwde plekje achter de computer heeft gevonden, valt er ook geen normaal woord meer met hem te wisselen. Zelfs de meest simpele vragen lijken plotseling langs hem heen te gaan, lijken zijn kennis te boven te gaan.
‘Pap, waar zal ik je thee neerzetten?’
‘Ja, vrijdag.’

Dat bedoel ik dus.

Nou, laat ik hem dan eerst maar even de wrede Covenant proberen te verslaan door middel van een echte MA5B Assault Rifle in zijn snelle Banshee. Of wat dacht je van de Warthog, de M6D Magnum of de gevaarlijke Combat forms?

Nee, ik weet ook niet wat ik zeg. En het zal me eerlijk gezegd ook een worst wezen. Zolang mijn vader mij nog niet verward met een vreselijk wezen dat hij af moet knallen voor het te laat is, vind ik alles best. Laat hem z’n gang maar gaan met die M9 HE-DP Grenade van ‘m.