De Heuvels

februari 5, 2009

Na een redelijk lange absentie (lees: een dramatisch gebrek aan inspiratie) ben ik weer helemaal terug! Nu zijn de onderwerpen waar ik over wil of kan schrijven nog vrij schaars en vooral heel erg onboeiend, maar ik moet jullie toch ergens mee vermaken. En volgens Internetexpert Andrew Keen plempen wij, De Internetgebruikers, toch het hele web vol met flauwekul, dus wie heeft er wat tegen een blogje onzin meer of minder?

Om dan maar meteen even door te gaan op de grootste onzin die er op dit moment op televisie te zien is: The Hills.

Ik haal hiermee ongetwijfeld de haat van vele lezeressen op de hals, maar ik kan het echt niet langer aanzien. Ik moet mijn ei even kwijt, ongeacht wat de gevolgen voor mijn redelijk positief opgebouwde reputatie ook zullen zijn.

Want waar gaat het nu eigenlijk helemaal over? Toen ik het onlangs met wat vriendinnen zat te kijken (moment van verstandsverbijstering, waarschijnlijk) en de tweede aflevering alweer begon, was dat precies dezelfde vraag die wij ons plotseling hardop stelden. Ik weet niet wat dat is, maar na een halfuur van dat Amerikaanse gezever schrik je vanzelf wakker uit een soort trance en vraag je je opeens af waar je nu helemaal mee bezig bent.

Want waar kijken we eigenlijk naar, als we naar MTV zappen en daar op de zoveelste aflevering van The Hills stuiten? Toegegeven, voor een potje onzin zit het programma nog tamelijk lastig in elkaar. Het is namelijk wat ze noemen een reality-soap. Zo paradoxaal als het maar kan: het is geacteerd (wat sommige mensen nog steeds shockeert – wisten zij veel), maar ook de realiteit.

Wacht even, hoor. Hoe kan dat? Wat is dan het verschil met de ‘ouderwetse’ soap of serie? Als ze acteren, menen ze het dan meer dan de ‘gewone’, ‘algemene’ acteurs heden ten dage? Of hebben ze dan maar een half script en vullen ze de rest zelf aan met onbenullig geroddel, omdat geen enkele scriptschrijver het in zijn of haar botte hersens zou durven halen om zoiets überhaupt te schrijven?
Ik denk dat laatste.
Heb je wel eens gehoord waarover ze praten? Hun ongetwijfeld toch al niet brede vocabulaire bestaat grotendeels uit een aaneenschakeling van ‘Oh my God’, ‘like’ en ‘right’ en verder is het alleen maar regelrechte roddel en achterklap. Heidi is echt een ‘biatch’ (maar met dat strakgetrokken hoofd zie je niet eens of ze het erg vindt als ze het hoort) en over die Spencer hebben ze ook niets goeds te vertellen (waar ie eigenlijk om vraagt, met zulke onmenselijk felle contactlenzen).

Nu noem ik natuurlijk wel meteen de twee grootste ‘bitches’ uit de hele serie.

Want om wie gaat het nu eigenlijk echt in The Hills? Wie houdt het ‘verhaal’ draaiende? Van wiens ‘verhaallijn’ gaan zelfs de wanabee-fans op het puntje van hun stoel zitten? Ik heb geen idee waarom, maar om de één of andere mysterieuze reden wijzen alle vingers gretig naar Lauren Conrad. Geen idee wat haar ‘rol’ belangrijker maakt dan die van de andere ‘actrices’ (naar mijn idee zit ze evenals die andere koeien gewoon net zo hard op Google te surfen en uit haar neus te vreten op haar zogenaamde werk en paradeert ze op de ‘set’ in net zoveel muffe designerkleren rond die vast niet van haar zijn). Waarom is iedereen zo gefascineerd door die Lauren Conrad? Ik heb namelijk nog nooit iemand gezien met zo’n immense rij donkere bovenliphaartjes. Zo, nu zijn jullie weer een illusie armer en een cruciaal feit rijker: ze heeft een snor.

…En waar wil ik nu eigenlijk heen met dit blogje? Wat is nu precies m’n hele punt? Geen flauw idee, misschien zou je hetzelfde eens aan de makers van The Hills moeten vragen.

Isn’t it ironic?

december 16, 2008

Mensen zeggen altijd dat de kleine dingetjes in leven het net dat beetje aangenamer maken. De kleine dingetjes, die doen het ‘m. Geniet van de kleine dingen in het leven! Je kent het wel.

Bladiebla, denk ik dan.

Zal ik jullie eens wat zeggen? Die kleine dingetjes zijn helemaal niet altijd zo aangenaam. Die kleine dingetjes kunnen je dag namelijk ook flink vergallen. Wat dacht je van een politieman, een kapotte fietslamp en een boete? Gooi daar nog een fikse schep ironie bovenop en het feest is compleet.

Vanavond fietste ik braaf en nietsvermoedend met een vriendin naar huis, op mijn oude vertrouwde fietsje. We hadden de wind mee, het stoplicht sprong spontaan op groen zonder dat we eerst op het knopje hoefden te drukken en –

“Dames!”

Een potige politieman verscheen en liet ons van onze fietsen afstappen. Mijn voorlicht deed het niet. Wat – mijn voorlicht deed het niet? Wat een onzin! Verontwaardigd sprong ik van mijn fiets af en – krijg nou wat. Mijn licht deed het inderdaad niet. Ik wist niet wie ik harder wilde slaan: die grijnzende politieman of mijn ‘kapotte’ fietslamp. Kapot, m’n reet. Op de heenweg deed ie het gewoon nog wel.
…Niet dat politiemannen daar gevoelig voor zijn. Dus helaas, ik moest er aan geloven. Ja, ik heb een identiteitsbewijs bij me en nee, ik zal het nooit meer doen. Waar ik woon? In de Kievitstraat. Wat? Hoezo wat? Kie-vit-straat, articuleerde ik overdreven.

“Schrijf je dat met een ‘n’?”

Eh. Ja, hoor eens. Ik weet niet in welke wereld u leeft, maar over het algemeen komt er in het woord ‘kievit’ geen enkele ‘n’ voor. K-i-e-v-i-t. Nee, ziet u wel? Maar, hé, als u daar gelukkig van wordt, wie ben ik dan om u tegen te houden? Schrijft u het maar lekker met een ‘n’, als u dan toch bezig bent.
Tja, alle respect voor de politie, daar niet van.
Het wordt alleen wel een beetje gênant als hij mij met zijn stoere, intimiderende politiepakje en een priemend wijsvingertje een flinke boete wil geven voor een kapotte fietslamp en hij vervolgens niet eens blijkt te kunnen spellen.

En weet je waar ik vanmiddag mijn fiets trouwens vandaan haalde?
Bij de fietsenmaker.
Hm.

Zoals ik al zei: die kleine dingen zijn lang niet zo leuk als iedereen elkaar wel wijsmaakt. Ze kunnen je dag verpesten en het bloed onder je nagels vandaan halen. Zonder enige vorm van medelijden te tonen. Ze zijn onrechtvaardig en meedogenloos en gaan altijd gepaard met een aanzienlijke hoeveelheid ironie.

…Dat schrijf je trouwens wel met een ‘n’.
Ja, ik dacht, ik zeg het even.

De wonderen zijn de wereld uit

september 29, 2008

‘Hey.’
Ik had hem niet aan zien komen lopen. Plotseling stond ie daar gewoon, met zijn lunch op een blad, klaar om naast me komen te zitten. Oh, shit. Snel klap ik mijn mobieltje open en doe alsof ik in een heel belangrijk gesprek zit met een niet-bestaand persoon aan de andere kant van de lijn.
‘Oké…’ verontwaardigt maakt hij een rechtsomkeert. Poeh. Dat ging maar net goed.
‘Wat doe je nou?’
Mijn vriendin kijkt me vol ongeloof aan. Ik klap mijn mobieltje weer dicht een keer mijn gezicht wat naar haar toe.
‘Kijk dan!’ Zeg ik vol walging, terwijl ik mijn haren achter mijn oor doe. ‘Een puist.’
Mijn vriendin knikt begrijpend. Plotseling grijpt ze me bij mijn arm. ‘Probeer dan eens Clearasil Ultra,’ stelt ze enthousiast voor, met een onnoemelijk grote grijns op haar gezicht, ‘geloof me, je hebt in een gavere huid in slechts drie dagen!’

Eén van mijn vakken die ik krijg op de universiteit is Oriëntatie Televisie. Hier leer ik van alles over de geschiedenis van televisie, televisiegenres en de invloed die televisie op allerlei manieren op verschillende mensen kan hebben. En als er iets invloed heeft op mensen, dan is het wel reclame.
Bovenstaand voorbeeld is een stukje uit één van de meest recente Clearasil-reclames. Dat het zo niet gaat in het echt, is wel duidelijk. Meestal gedragen je vriendinnen zich niet als een stel wandelende reclameaffiches en voor zover ik me kan herinneren hebben de meeste pubers wel meer dan één puistje om zich druk om te maken.

Dat is dan ook één van de redenen waarom ik er zo’n verschrikkelijke hekel aan heb. De hoofdpersoon in het spotje klaagt hemel en aarde bij elkaar. En waarom? Omdat ze toevallig een door de computer gegenereerd microscopisch klein rood vlekje op haar wang heeft zitten, wat overigens in de verste verte niet eens lijkt op een puist.
Ik bedoel – wat is haar punt eigenlijk?
Geen wonder dat normale pubers (die toevallig niet hun hoofd even door Photoshop kunnen rollen) met diep gezucht verderzappen, zich afvragend of dat belachelijke spul ook op hele bergruggen zou werken.

En om er nog maar even een schepje bovenop te gooien, doen er momenteel twee van die absurde spotjes de ronde: er is ook een versie met een mannelijk hoofdpersonage.
Eigenlijk is die nog veel erger.
Nadat ook zijn ‘puistje’ op magische wijze de benen genomen heeft, ziet hij de volgende dag het meisje dat hij leuk vindt op het schoolplein lopen. En omdat reclames altijd zo lekker realistisch zijn maar niet heus, kun je vast niet raden wat er dan gebeurt: hij komt met een razende vaart op haar af geskateboard, struikelt half en laat zich vervolgens bovenop het arme schaap vallen.
Hoor eens, ook al gebruik je dan Clearasil, er staat toch echt alleen maar op de verpakking dat je ‘een zichtbaar gavere huid in slechts drie dagen!’ krijgt. Er stond nergens iets over het aanranden van elk willekeurig meisje. Het moet toch niet gekker worden?

De Puist is steevast nep, ze hebben er ook altijd maar één en plotseling zijn zij wél bevoegd om dingen te doen waar elk ander normaal mens tien jaar celstraf voor zou krijgen. En ze vinden het nog normaal ook.

…Zoals ik al zei, ik heb er een verschrikkelijke hekel aan.

Kiss my dress

augustus 18, 2008

Met mijn hoofd in mijn nek staar ik bewonderend naar boven. De grote letters, die dat oh zo bekende woord vormen, glanzen me uitnodigend toe. Plotseling schrik ik op uit mijn dromerige gestaar. Iets of iemand roept me. Ik scheur mijn blik los van het dure woord boven me en kijk ongegeneerd naar binnen. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes om te zien waar dat zalige geluid vandaan komt, en – opeens stokt mijn adem in mijn keel. Daar is ze. Oh, ze is prachtig. Fabuleus. Uitzonderlijk. Fantastisch. Het is alsof ze me roept.
‘Kom, kom toch binnen!’ Kirt ze, terwijl ze uitnodigend met haar satijnen linten wappert. Ik weet dat het geen zin heeft, voel mijn portemonnee protesterend in mijn jaszak zitten. Niet dat dat me tegen kan houden, natuurlijk. Ik haal even diep adem en stap dan, een tikkeltje aarzelend, de net zo glanzende drempel over. Nee, niets houdt me nu nog tegen.

Een euforisch gevoel in mijn buik. Ik ben er, I made it! Met één blik in de winkel verdwijnt het gevoel meteen, maar ik probeer er niet aan te denken en doe net alsof ik hier ook hoor. Ik kom hier dagelijks, ben hier vaste klant, schaf hier hele garderobes aan en glimlach onovertuigend naar één van de bovenmenselijk hippe verkoopsters, om mijn eigen beweringen kracht bij te zetten. De verkoopster fronst haar voorhoofd (denk ik, want ik zie geen rimpel), ten teken dat mijn poging finaal mislukt is.
Maar ik laat het daar natuurlijk niet bij zitten. Ik ben nu immers al binnen. En bovendien is dit fantastisch. Ik hou mijn adem in als ik over de zachte stof strijk en de perfect afgewerkte kanten biesjes bewonder. Zelfs de veel te harde, maar ongetwijfeld ontzettend hippe rapmuziek, die uit onzichtbare speakers bonkt en mijn trommelvliezen binnen nu en tien minuten compleet zal verbrijzelen, kan me niet meer kwellen. Ik heb haar nu binnen handbereik.

‘Kan ik je ergens mee helpen?’ Geschrokken kijk ik op, recht in het gezicht van één van de ultrahippe verkoopsters. Ze slaat haar armen ongeïnteresseerd, maar uitdagend, over elkaar. ‘Ben je naar iets specifieks op zoek?’ Blaft ze verder. Ze probeert me keer op keer heel strategisch net niet aan te kijken en begint dan met maaiende armen in het rek te zoeken. ‘Welke maat heb je?’ Maar nog voor ik antwoord kan geven, duwt ze me al een adembenemend exemplaar in mijn handen. Het is een L. ‘Ze vallen heel klein,’ snauwt ze, als ik haar vragend aan probeer te kijken. Aarzelend strijk ik weer over de soepele, zachte stof en verlangend reiken mijn vingers naar het prijskaartje –
‘Tweehonderdtwintig euro,’ bitst ze op een vergeet-het-maar-toon, nog voor ik zelf heb kunnen kijken. Oh. In dat geval. Dan zijn ze hier nog erger dan ik dacht. Met pijn in mijn hart druk ik de jurk weer in de armen van de verkoopster. ‘Sorry, het is toch niet helemaal wat ik zoek,’ zeg ik, nog voor ze me kan afbekken. Haar gezicht vertrekt en met een kattig ‘tot ziens!’ kijkt ze me de winkel uit.

Tweehonderdtwintig euro?

Kiss my dress.

Ach en wee

mei 15, 2008

Weet je waar wij Nederlands nou met z’n allen eens echt een potje goed in zijn? Zeuren. Oh, we zijn er meesters in. Meesteressen, vooral. Tijdens de menstruatie zijn we niet te harden. Zeven dagen lang zó’n gezicht, een wc die voortdurend en ook langdurig bezet is en alle chocola is plotseling op wonderbaarlijke wijze verdwenen.
Ongesteld of niet, het is hier tegenwoordig één groot klaagfestijn. Het lijkt wel de nieuwste mode, de laatste trend. En ook zo gevarieerd. Je kunt er alle kanten mee op en je hoort het dan ook overal: gezeur, gezanik, gezeik, gemok, geëmmer, gekwezel, gemekker, gemier, geneuzel, gemiep, gereutel, gezaag, gezemel, gejengel, gejeremieer, geklaag, gedrein, gepruil en gejank. Heel afwisselend. Vervelend, ook.

Het is namelijk nooit goed. Kinderen jengelen, bejaarden klagen, pubers zeuren en de rest heeft gewoon een rotleven. Er moet ook zoveel. De was, het eten, de mail, de post, de vuile vaat, het strijkgoed, de boodschappen, het werk, de kinderen, de visite… En het ergste van alles is: het houdt nooit op. En je moet het allemaal zelf doen. Je luie puberdochter zit alleen maar met haar luie, egoïstische gat voor de tv en je zoontje van zes en een half is nog nauwelijks klaar met kleuteren. Het leven is ook zo oneerlijk.

Dat vinden pubers nou ook. Hun leven is pas één groot drama. Man, wat een ellende. Puistjes, gestrande verkeringen, te weinig kleedgeld, vroeg opstaan, zeurende ouders, krijsende broertjes, vervelende zusjes, school, toetsen, huisarrest, om nog maar te zwijgen over wat je allemaal niet mag en het feit dat je thuis ook nooit eens iets goed doet. Bah. Je zou jezelf er bijna van op je bed laten vallen en in een dramatische huilbui uitbarsten, omdat je jezelf verschrikkelijk zielig vin – ik bedoel, omdat het je ook allemaal niet mee zit.

En wat dacht je dan van al die krijsende en gillende kinderen? Het ontevredenheidsgevoel komt tegenwoordig steeds vroeger opzetten. Nog wel iets beperkter, maar daarom niet minder vervelend: je mag niet buitenspelen, je moet nu al naar bed, je mag natuurlijk geen snoepje en hoezo ‘ik wil dat’? Je hebt al genoeg. Meer dan zat. En het kan me niks schelen dat Josefientje van de overkant dat wel heeft.

‘STOM!’

Ja ja… Denk je echt dat ik daar nu nog van onder de indruk ben? Er komt een moment waarop we onszelf eens serieus in de ogen moeten kijken en ons eens rationeel af moeten vragen waar we nou eigenlijk helemaal mee bezig zijn. En… Vergeten we nu niet iets? Mensen hebben onoplosbare ruzies, hongerdood, eetstoornissen, buitenechtelijke kinderen, cyclonen, aardbevingen, fascistische leiders, ongeneesbare ziektes en – wat? Oh ja, en mensen moeten natuurlijk verplicht broccoli en spruitjes eten. Hoe kan ik dat nou vergeten.

In een wereld van korte lontjes en lange tenen zijn we zo weer een paar vermopperde decennia verder. Zullen wij dan ooit het licht zien? Ik kan niets beloven, maar wie zal het zeggen…

Dat is zó vorige week

maart 15, 2008

null

‘Oh mijn God, wie doet er nou zoiets aan?’
– ‘Heb je dat gezien? Belachelijk!’
‘Als jij ooit zoiets aantrekt, ben ik je vriendin niet meer.’
– ‘Nee, het ziet er niet uit.’

Hatelijk gelach weerklinkt. Maar wie bepalen dat eigenlijk? Een stel opgetutte vierdeklassertjes, die zich geroepen voelen hun mening op een nét iets te harde fluistertoon te verspreiden.Van het woord subtiel hebben ze zeker ook nog nooit gehoord. Waar heb je dat woord überhaupt voor nodig? Zelf ben je tenminste wél cool, helemaal in de mode en allesbehalve abnormaal. Sterker nog, als vierdeklasser met een plamuurlaag waar je u tegen zegt, steek jij er natuurlijk ver bovenuit. Het is rot, maar iemand moet het doen.

Niet dat ik iets tegen vierdeklassers in het algemeen heb. Ik ken zelfs een heleboel vierdeklassers waar ik het prima mee kan vinden, maar al dat geroddel en gesteek en geklaag en gezeur altijd. Worden wij daar, als meisjes, nou nooit moe van?

Ik zou heel hypocriet zijn als ik met een volmondig ‘ja’ zou antwoorden, dus dat doe ik dan ook niet. Maar soms kan ik er toch echt even niet bij.
Wat dat betreft hebben jongens het toch een stuk makkelijker. Die doen tenminste niet zo moeilijk en maken het een stuk minder pijnlijk. Alhoewel, ze vermijden die ingewikkelde, geestelijke pijn en slaan er gewoon lustig op los. Hoppa. Hier! En daar! En nog één! Aanpakken!
Vijf minuten later is het geknok alweer voorbij (het moet natuurlijk wel leuk blijven) en is er nooit ruzie geweest.

‘k Schop wel in je ballen, maar ‘k zal je echt niet laten vallen.

Misschien is dat juist het probleem: wij hebben geen ballen. Dus kunnen we er ook niet in schoppen. In plaats daarvan, doen wij veel ergere dingen. Dat hoeft nog niet eens met woorden, zelfs een doorborende blik of een snerpende lach heeft al vernietigende krachten. En altijd komt het plotseling. Opeens ben je raar, opeens ben je stom, opeens staat je gezicht mensen niet meer aan.
Waarom?

…En dat vraag je aan mij? Ik ben dan wel een meisje, maar ik snap er soms net zo weinig van als het andere geslacht.

Waarom slaan en schoppen wij eigenlijk niet? Waarom doen we dat wel – maar dan heel omslachtig en op een eigenlijk nog veel pijnlijkere manier? We steken anderen in ruggen, krabben huiden open, bijten de gaten erin. Bij jongens verdwijnt het weer. Bij meisjes blijven de littekens altijd als een soort onvrijwillige herinnering bestaan. We roddelen er tot we erbij neervallen (wat we niet doen, tót we zelf het slachtoffer een keer zijn) en laten mensen net zo gemakkelijk vallen als dat we weer nieuwe vinden die de oude vertrouwden zonder pardon vervangen.

Misschien is het probleem ook niet eens dat we roddelen. Misschien is het juist problematisch, dat we vaak niet eens weten waarover we het hebben. Over wie we het eigenlijk hebben. Net een soort zinloos geweld, maar dan nog een tikkeltje gemener en vooral zinlozer. Ik krijg echt een punthoofd van al dat hersenloze gefluister en wanhopige geroddel.

En om eerlijk te zijn: puntig past niet bij mijn kapsel.