Mr. Bag

oktober 20, 2009

Sluw en meedogenloos als hij is, weet hij iedereen om zijn vinger te winden. Het blijft je verbazen. Hoe kunnen ze daar nu allemaal voor vallen? Hoe kunnen ze daar allemaal intrappen? En met open ogen! Belachelijk. Dat zou jou nooit overkomen. Oh nee. Móói niet. Jij weet wel beter. Jij past goed op jezelf, weet wat je moet doen en vooral wat je moet voorkomen.

Maar je moet toch toegeven dat ie goed is. Zo verleidelijk! Hij weet precies wat ie moet doen, weet wat ie in zich heeft. Wil je hem dan niet hebben? Welnee. Dat kun jij makkelijk weerstaan. Dat heb jij absoluut niet nodig. Toch?

Oh nee. Je laat je niet zo makkelijk omkopen. Zélfs niet door zijn mooie, veelbelovende woorden. Zijn betoverende beloftes. Zijn zorgvuldig uitgekozen lettercombinaties. Pff. Woorden heeft ie, maar daden?

Hmm. Misschien moet je het er gewoon op wagen. Je weet maar nooit, misschien zijn z’n daden echt wel zo fantastisch als iedereen beweert. Misschien valt het allemaal wel mee. Misschien is echt wel zo –
Jawel, je trapt erin!
In zijn trucjes, mooie woorden, verleidelijke pogingen.

And his name is Bag.
Goodie Bag.

Ongeveer een week geleden kreeg ik een mailtje van Sustilo.nl, getiteld “Goodie Bag!”. Veelbelovend. In het mailtje deelde men trots mee dat ‘de goodie bags weer goed gevuld’ waren. Een vaakvoorkomend fenomeen, dus. En het zag er nog best goed uit. Vijf kledingstukken voor maar 15 euro! Koopje.

Ik en mijn laat-ik-ook-eens-gek-doen-buien.

En dan die woorden die ze gebruikten. Heel manipulerend, maar verbazingwekkend briljant. Je moest er volgens de mail namelijk maar ‘snel voor zorgen’ dat je ‘deze fijne items’ en ‘ongekende must-haves’ in huis haalde. Wat dacht ik toen ik die mail las? Ik heb een hekel aan het woord ‘must-have’. Als ik iets moet kopen van een winkel, doe ik het vooral liever niet. Dan laat ik het lekker in de rekken hangen, voor al die andere koeien aan wie zulke nonsens wel is besteed. En voor ‘fijne items’ ben ik ook allergisch. Fijn hè, dat item? Nou, dolletjes!

Vandaag ontving ik het dan: mijn langverwachte Goodie Bag. Helemaal voor mij alleen. Gretig scheurde ik de verpakking open. Oh, oh, oh! Vijf kledingstukken, voor nog geen twintig euro! Oh, wat… een miskoop. Te klein, te groot, te lelijk… Wat een drama. Fijne must-have items? Dacht het niet. Zo’n bedrijf moet ook z’n restjes kwijt. Deze zomaar weg doen is ook zonde! Weet je wat? We pleuren een stuk-of-wat van die afzichtelijke overblijfselen in een tas en verzenden ze voor een stuk-of-wat euro. Noem het een Goodie Bag, beweer zonder blikken of blozen dat er absolute must-haves in zitten en tel uit je winst.

En ik maar denken dat ik daar nooit van mijn leven in zou trappen.
Met open, uitpuilende ogen. En de groeten van Mr. Goodie Bag.

“Oh, even mijn nagels lakken!”

…Herken jij jezelf in de bovenstaande zin of roep je dit regelmatig tegen niemand in het bijzonder, dan heb ik hier een advies. Let op, ik zeg het maar één keer: stop daarmee. Geef het op. Echt waar. Als er iets is wat je niet ‘even’ kunt doen, zijn het wel je nagels lakken. Of in ieder geval is het iets waar wij vrouwen in het algemeen gewoon niet ‘even’ de tijd voor zouden moeten nemen.

Natuurlijk, we hebben het tegenwoordig allemaal maar druk. We hebben de altijd zeurende school en/of universiteit, we bekleden de meest tijdrovende (bij)baantjes en ook van onze vrije tijd is niet veel meer over: we plannen onszelf gek met etentjes, uitjes, biosjes, feestjes en ga zo maar door (of moet ik mijn eigen agenda er soms even bijpakken?).

En je kent De Vrouw: voor elke gelegenheid een andere outfit. Maar wat maakt elke outfit nu ook alweer zo uniek en compleet? Precies. De Juiste Nagellak. En aangezien we barsten van de gelegenheden, lakken we ons een rotje.
En rot is het zeker. Er gaat geen lakmoment voorbij waarop ik geen compleet zelfverzonnen scheldvocabulaire loslaat op dat o zo onschuldig ogende nagellakpotje en er ontkomt geen enkel stuk meubilair aan mijn woedeaanvallen.

Elke verkeerde beweging kan namelijk onherstelbare schade berokkenen. Deukjes, putjes, krasjes… Je kunt het zo gek nog niet bedenken en je hoeft er ook niet eens zo gek veel voor te doen of je zorgvuldig gelakte nagels en je leegblazen longen krijgen stank voor dank.

Het ergste van alles is misschien nog wel dat er niets aan te doen valt. Als dat weerzinwekkende krasje of dat afzichtelijke deukje jouw keurig gelakte nagel eenmaal bezoedelt, zal toch echt de hele hap overnieuw gelakt moeten worden.

Tja. Bloed, zweet en nagellakremover.
En da’s geen woord overdreven.

Bloody Sunday

februari 22, 2009

De Zondag. We zijn er allemaal bekend mee en vandaag is er toevallig één van. Ik hou niet van zondagen. Zondagen zijn gewoon niet my cup of tea. Ik heb altijd wel iets te zeuren op zo’n dag als vandaag, er is altijd wel iets dat niet deugt.

Zoals het feit dat de zondag altijd brak moet zijn. Vroeger was dat niet zo. Als toen iemand op een maandagochtend verrast uitriep: “Deksels, wat zie jij er vandaag zondags uit!”, was dat zonder meer bedoelt als een compliment. Alsof je je ‘zondagse kleren’ aan had. Het was iets wat je, vooral als vrouw zijnde, aanzien gaf. Het gaf je verve, flair. Dan stond je weer even voor een paar dagen met een rechtere rug en een glimlach achter het aanrecht.
Nu is dat wel anders. Als iemand morgenochtend “Jezus, wat zie jij er zondags uit vandaag!” tegen je zou zeggen, zou je glimlach (als je die al hebt op een vroege maandagochtend – ik in ieder geval niet) als sneeuw voor de zon verdwijnen. Je zou je diep beledigt voelen en de rest van de dag nukkig zijn, zonder dat daar één vleugje flair aan te pas zou komen. Als je er zondags uitziet, betekent dat wallen tot aan je enkels, haar dat alle kanten op staat behalve de goeie (a.k.a. the Bad Hair Day), kreukels die spontaan in je kleren springen en een ademwalm van hier tot in Oezbekistan. Kortom, niet bepaald complimenteus.

De zondag staat tegenwoordig dus gelijk aan brak zijn. Er gaat geen zondag voorbij dat ik geen hoofdpijn heb of me niet lusteloos voel. Dat is het vooral. Alsof de zondag ervoor zorgt dat je standaard wakker wordt met een soort lusteloosheidaura om je heen (of misschien is dat gewoon die ademwalm). Je zou het liefst nog uren in je bed blijven stinken, je hebt nergens zin in. En het láátste wat je wil is opstaan (wat betekent: bewegen) en opdrachten maken (wat betekent: nadenken). Onmogelijk.

Nog een reden waarom ik zondagen niet kan uitstaan: het zijn de dagen waarop al het uitgestelde werk van de afgelopen week gedaan moet worden. Inderdaad, met de nadruk op moet. Denk er de volgende keer eens beter over na als je uiteindelijk toch maar één opdracht besluit te maken in plaats van twee, of vijf bladzijdes leest in plaats van vijftig. Zoiets heeft verschrikkelijke consequenties, wist je dat?
Natuurlijk, je hebt altijd weer een prachtsmoesje klaar. Het moet wel leuk blijven, ontspannen tussendoor moet ook kunnen, die ene goeie film komt vanavond op tv en je moet trouwens je kamer nog opruimen. Dus.
Dat mag dan allemaal een redelijke kern van waarheid bezitten, maar bedenk wel dat ook de zondag maar vierentwintig uur duurt. Je kunt niet alles op één dag plannen, zeker luie studenten niet.

Maar bovenal hou ik niet van zondagen omdat ze altijd zo snel voorbij zijn.

…Verrek, over vier uur is het al maandag!

Dat zeg ik. Véél te snel.

Slim, slimmer, slimst

november 5, 2008

‘Jemig, Linda, wat ben jij vandaag chagrijnig zeg!’
Tja. Daar zit je dan op een zondagmiddag aan de thee met je nietsvermoedende ouders. De bedoeling was dat het gewoon een gezellige aangelegenheid zou worden, maar in plaats daarvan roer je met een grafkop verwoedt door je thee zonder suiker.
Thee zonder suiker?
Nee, dat was geen typfout en ja, dat las je goed. Door alle tentamenstress van de afgelopen twee weken heb ik als een kip zonder kop van alles naar binnen zitten schrokken, variërend van simpele chocoladerepen tot compleet bemetselde toastjes met alles erop en eraan. Ja. Van stress ga je eten. En van dat eten krijg je spijt. En van al die calorieën duik je helemaal in elkaar.

Dus zit er niets anders op dan eens een weekje gezond te leven. Te balansen. Te diëten. Er met mijn bril op het puntje van mijn neus streng op toeziend dat de calorieën die ik binnenkrijg niet die hardvochtige grens overschrijden. En vooral wat vaker naar die stof verzamelende appels in dat eenzame hoekje van de keuken te grijpen.

Maar je wordt er wel strontchagrijnig van.

Ik snap echt niet hoe mensen dat volhouden. Bovendien helpt het vaak ook niet eens, aangezien iedereen wanhopig op zoek is naar ‘gezonde vervangers’ voor die verleidelijke chocoladereep met van die goddelijk smeuïge caramel aan de binnenkant, of voor die aanlokkelijk krakende zak chips die je naam wel lijkt te roepen.
Een onmogelijke opgave?
Ja, natuurlijk, maar diehard diëters blijven hardhoofdig beweren dat zij dé oplossing hebben gevonden: in plaats van vette zoutjes grijpen we beschaafd naar de light-chips en in plaats van die chocoladereep ‘kiezen we bewust’ voor de Chocolate Low Fat Ice Cream Sandwich van Slimfast.

Hoor eens, denken ze echt dat dát nut heeft? Je wil niet ‘dik’ meer zijn, maar light-dik kan wel? Hoe wil je dat voor elkaar krijgen? Waarom trapt iedereen daar altijd toch in? Juist omdat er minder calorieën inzitten, neem je er bijvoorbeeld veel makkelijker meer van (zo kun je zelfs uiteindelijk nóg meer calorieën binnenkrijgen dan voorheen) en bovendien kost het je klauwen met geld. Denk maar niet dat de dieet-trend onopgemerkt blijft bij die fabrikanten als Slimfast; die maken er maar al te graag begerig (en slim) gebruik van. En uiteindelijk worden we er van de schrikbarend hoge prijzen ook weer niet vrolijker op. We blijven dus niet alleen dik, maar ook nog eens chagrijnig. Daar krijg je trouwens heel snel rimpels van, wist je dat? …WAT? Ook dát nog! Scheld, tier, raas. Gezellig hoor, diëten.

Hmm. Ik denk dat ik morgenochtend gewoon maar weer een ouderwets flinke schep suiker in mijn thee gooi.
Dat is beter voor ons allemaal.

Shopping spree

oktober 14, 2008

Heel leuk, hoor, dat winkelen. Alleen een beetje jammer dat je niet in één oogopslag kunt zien of die broek je inderdaad zo fantastisch staat als je van te voren hoopt.

Nee, in plaats daarvan sta je jezelf op een late dinsdagmiddag zwetend in een overduidelijk veel te kleine broek te wringen. Hè, hoe kan dat nou? Je lijkt opeens drie maten groter nodig te hebben.
‘Ze vallen heel klein, hè!’ Waarschuwt de verkoopster je dan, terwijl ze de gordijn ongevraagd open ritst.
Aha. Dat verklaart een hoop.
Ongeduldig wurm je je weer uit de broek en vraag je om een grotere maat. Die ze niet meer hebben.

Zucht. Het zou me niet verbazen als een soortgelijk scenario je maar al te bekend voorkomt. Passen. In een pashokje. Meestal niet bepaald de leukste bezigheid, want behalve dat er dingen zijn die je besluit wél te kopen, zitten er eigenlijk nog veel meer artikelen tussen waarvan je diep van binnen wenste dat je ze nooit aan had gepast. Die broek maakt je kont namelijk veel te dik, dat vest is ook al te klein, om over dat hemdje nog maar te zwijgen. En dat shirt, je lijkt er wel zwanger in!
Verschrikkelijk.

Toch zijn het geen monsters, die winkeliers. Ze proberen het hele proces zelfs wat aangenamer te maken, door de pashokjes te voorzien van allerlei handige snufjes.

Zoals dat volledig-niet-aansluitende roodfluwelen gordijn, wat ze voor de opening hebben gehangen. Ja, inderdaad. Ik voel me meteen een stuk gemakkelijker als de halve winkel kan meegenieten van passessies in mijn ondergoed.
Of dan de belichting. Het maakt niet uit waar of in welk pashokje dan ook, overal hebben ze zo’n meedogenloze, allesverwoestende spotlight hangen, zo recht uit het plafond, waardoor plotseling alle zorgvuldig weggepoederde oneffenheden drie keer zo gigantisch lijken dan dat ze in werkelijkheid waren (…toch?).
De spiegel is trouwens wel kolossaal. Handig, zeg je? Jawel, alleen is het pashokje zelf dan weer zo minuscuul dat je eigenlijk gedwongen bent om op je tomaathoofdigst het pashokje te verlaten om jezelf er beter in te kunnen bekijken, terwijl de vrouw-van-het-pashokje-hiernaast je ongegeneerd aan kan gapen en vervolgens ongetwijfeld tot de conclusie komt dat die broek die ik aanheb haar pertinent beter staat.

Omgekleed en wel wandel je, wankelend onder het gewicht van al die kledingstukken die je onhandig over je linkerarm hebt gekwakt, het pashokje weer uit.
‘Die worden het?’ Vragend wijst de verkoopster naar je trillende arm.
‘Eh, nee. Alleen deze,’ antwoord je, en je houdt maar liefst één broek omhoog, die onopvallend over je veel minder belaste rechterarm had gehangen.
‘Oh.’
Moet ze al die honderdtweeënzeventig kledingstukken terug gaan hangen.

Oh, als je dan toch bezig bent: haal dan meteen even een stofdoek door je pashokjes, wil je?

Never too busy

september 12, 2008

Sinds twee weken zit ik op de Universiteit van Amsterdam. Ik mag mezelf dus officieel studente noemen, volg colleges in plaats van lessen en ben niet meer onderdeel van een klas, maar van een bescheiden werkgroepje.

Of ik niet een beetje moet wennen? Goh. Is dat een strikvraag of verberg ik het gewoon heel goed? Natuurlijk moet ik wennen, dat moet ik nog steeds. Ik blijf studenten hardnekkig leerlingen noemen, heb het over ‘school’, ‘huiswerk’ en meer van dat soort gekkigheden en kan er nog steeds niet over uit dat het boek Film History: an introduction niet alleen 788 bladzijdes beslaat, maar daarbij ook nog eens 1,7 kilo moet wegen. Belachelijk.

Niet alleen lijken alle boeken onnatuurlijk drie keer zo dik als boeken op de middelbare school, ook neemt niemand de moeite om ze te vertalen. Alles is in het Engels. Je kunt natuurlijk niet elk onbekend woord opzoeken in het woordenboek, maar als je de eerste alinea voor de vijfde keer leest en nog geen flauw idee hebt waar ze het in godsnaam over hebben, zakt de moed je toch wel flink in de schoenen. Zeker als de hoofdstukken per stuk niet uit een softe vier, maar uit een royale veertig bladzijdes bestaan.

En het blijft ook niet bij één hoofdstuk. Vooral bij het vak Geschiedenis en Audiovisuele Cultuur lusten ze er wel pap van: niet één, maar twee volledige hoofdstukken per week! En als we dan toch zo lekker achterlopen met z’n allen, staan er voor volgende week een schamele drie hoofdstukken op het programma. En dan doen we er ook gewoon nog wat begeleidende teksten, filmfragmenten en voorbereidingen bij. Alsof het niets is. En het is inderdaad niet niks, want je moet het ook allemaal onthouden. Over vijf weken staan namelijk de eerste drie tentamens al ingepland.

Als daar dan nog bij optelt dat ik geen bijster stressbestendig persoon ben, kun je wel nagaan hoe lekker ik daar bovenop ook nog slaap.

Maar voor ik alle nog middelbare-school-gangers de stuipen op het onschuldige lijf heb zitten jagen: er zitten ook leuke kanten aan (ergens), je went heus wel aan het nieuwe studentenleven (uiteindelijk) en het komt vast helemaal goed (ooit). Dus maak je vooral niet druk!

Dat doe ik namelijk ook nooit.

Veni, vidi, vici

juni 15, 2008

De examens zijn voorbij. Alle lasten zijn van je schouders gevallen. Niets ligt je nog langer zwaar op de maag. Geen stress, geen toetsen, geen school, helemaal niets meer. En dan nog geslaagd ook! Met een tevreden glimlach kruip je onder je dekens, laat je je hoofd op je kussen zakken, om vervolgens te beginnen aan die eindeloze partij nachtrust, zónder zorgen.
En dan denk je dat alle ellende voorbij is.

Maar plotseling schiet je schichtig overeind. In een wip sta je, volkomen onvrijwillig en nog half in slaap, naast je bed. Dat meen je niet. Je maakt een grapje. Niet net nu je eindelijk eens… Maar helaas. Het is geen flauwe droom, zelfs geen vervelende nachtmerrie.

Het is de keiharde realiteit.

Met een ietwat onmenselijk gegrom knip je het grote licht aan. Vooruit dan maar. Je bent nu toch al wakker. En als je weer verder wil met dat zorgeloze slaapje, zul je er toch echt aan moeten geloven. Met je bril op je neus, een geërgerde zucht en ijzersterke bewapening maak je je klaar voor de strijd.

Voor je echter de aanval in kunt zetten, spring je alweer een meter de lucht in. Ze viel je aan, zonder pardon. Hé, dat is niet eerlijk, je was nog niet eens begonnen! Maar ze is wakker, actief en nog lang niet moe. Ze is meedogenloos en schrikt nergens voor terug. Zij is het, zij die je elke zomer lang weer vreest. En ze zal niet rusten voor je je overgeeft.

Maar dit keer zul je haar krijgen. Dit keer krijgt ze geen enkele kans. Wacht maar, denk je moordlustig, wacht jij maar eens af. Als een stroper op jacht sluip je door je kamer. Waar kan dat kreng gebleven zijn? Ze kan toch niet zomaa – ha! Daar. Daar zit ze, op de linkerdeur van je kledingkast. Oké, kalm blijven nu. Met je rechterschoen in de aanslag, schuifel je erop af. Je durft bijna geen adem te halen.

Maar het is nu of nooit.

Met een woeste oerkreet stort je je met je volle gewicht (en je schoen ertussen) op je kledingkast. Baf. Boem. Splash. Dood. Je buik vult zich met een waar gevoel van euforie en terwijl je nog nageniet van je overwinning, veeg je de laatste restje van je schoenzool.

Nooit meer, nee nooit meer, zal je ook maar één mug je nachtrust nog laten verstoren.

I’m with stupid

april 16, 2008

Ik ben best naïef. Je kunt mij best veel wijsmaken. Ik geloof veel, en gauw ook. Ik kijk graag verbaasd, ben behoorlijk goedgelovig en ik sta open voor de wildste verhalen. Als je een beetje overtuigingskracht hebt, zit je bij mij geramd.

Maar wat je me onder geen beding wijs kunt maken, is dat een simpel rood shirtje met één of andere oninteressante opdruk en een vale achterkant zó exclusief is dat men daar vijfenveertig euro voor neer moet tellen.
En wat staat er dan op? Geen idee. De achterkant ziet eruit alsof iemand het wel een mooie poetsdoek vond, de opdruk is nauwelijks leesbaar en ergens in het piepklein kun je net het woordje ‘Diesel’ onderscheiden.

En wat je me al helemaal niet wijs kunt maken, is dat zo’n één of andere designer zó hard op dat shirtje heeft zitten zwoegen, tot diep in de nacht, tot in de vroege uurtjes, met zweetdruppels op z’n voorhoofd en zijn tong een stukje uit zijn mond, zonder dat hij het in de gaten had, dat ie er nu zo belachelijk veel geld voor mag vragen.
Welnee, zo’n vent zit gewoon op z’n dikke gat wat rare dingen te ontwerpen, gooit ze in de schappen – of nee, dat láát ie natuurlijk doen en vervolgens trappen we er allemaal één voor één in.

Vijfenveertig euro.

Wat voor debiel ben je dan? Je denkt toch niet serieus van: ‘Oh, wat een leuk, origineel shirt! En maar vijfenveertig euro! Die neem ik!’ Welnee. Dan rol je toch stikkend van de lach over de vloer dat je er de volgende dag nog buikpijn van hebt? Of dan ren je toch gillend naar de H&M voor net zo’n exemplaar maar dan vijftien keer goedkoper?

Maar natuurlijk bezit ik niet over zoveel overtuigingskracht, dus zijn er mensen die mij met opgeheven wijsvinger proberen te weerleggen. ‘Het gaat om de kwaliteit.’ Ja, maak dat de kat wijs.
Wat is er mis met de H&M? Oké, er zit hier en daar een steekje los. Maar daar is toch niks mis mee? Liever een steekje los in de stof van mijn shirt, dan een steekje los in mijn gezond verstand. Liever een gat in mijn shirt, dan een gat in mijn hand.

En toch, toch gaan die winkels gek genoeg niet failliet. De mensen drommen elke week weer naar binnen, graaien de vesten en shirts voor je neus vandaan, toveren hun dan nog royaal gevulde portefeuilles tevoorschijn en, ja, hoor je het al? Hoor je het geld al rollen? Die mensen achter de kassa lachen zich helemaal suf. En weer een shirt voor een belachelijke hoeveelheid geld verkocht aan zo’n randdebiel die er weer intrapte. Het werkt ook altijd. En wat dacht je van de designer himself? Die komt al helemaal niet meer bij. Oh, wat een lol.

Als het een beetje meezit, kan hij morgen die reis naar de Bahama’s al boeken.

Voor de absolute beginner

maart 12, 2008

null

Heb jij dat ook wel eens?

Je hebt net een film gekeken, waarin de hoofdrolspeelster een abnormaal getalenteerde danseres is. Je ligt in je bed, terwijl jij die flitsende danscarrière al compleet uitgestippeld voor je ziet. Of je komt net uitgeput en bezweet thuis van een oorverdovend concert, maar je bed induiken is wel het laatste waar je aan denkt: eerst moet je nog even al luchtgitarend door je slaapkamer stampen (…en je hoeft heus niet zo spottend naar je computerbeeldscherm te kijken, want daar trap ik dus echt niet in).

Dat lijkt me zo gaaf. Dat wil ik ook.

Vorig jaar juli hakte ik dan eindelijk de knoop door. Of nee, toen kwam ik eindelijk van mijn luie reet af. Ik wilde het al meer dan een jaar (eigenlijk al jaren, maar toen was het idee nog vaag en absurd) en bedacht me elke keer als ik er weer langsgefietst was zonder er erg in te hebben, dat ik er eigenlijk wel even langs had kunnen gaan. Maar dat deed ik natuurlijk niet.
‘Doe ik volgende week wel.’
Je weet wat ze zeggen: van uitstel komt afstel.

Maar niet altijd.

Het moest weliswaar wachten tot de zomervakantie al lang en breed begonnen was, maar eindelijk stapte ik dan met een zelfverzekerde tred de City Music binnen. Eindelijk zou ik een gitaar gaan kopen. Eindelijk zat ik dan op gitaarles. Eindelijk, eindelijk, eindelijk.

Een eigen gitaar. Voor mij alleen. En niet zomaar één, oh nee. Een gloednieuwe, in de zon blinkende en van oorsprong Spaanse gitaar. Toe maar. Bewonderend streek ik over de (hoe heette dat ding ook alweer?) en aarzelend begon ik met (hoe noemde hij dat nou vorige week?).
Hoe dan ook.
Enthousiast oefende ik elke dag braaf het hele halfuur zoals me was opgedragen. Opgewekt stapte ik elke week weer op de fiets, benieuwd naar wat de volgende gitaarles met zich mee zou brengen. Trots kwam ik dan na afloop thuis, als ik er weer wat bij had geleerd en het (naar mijn idee) nog ergens naar klonk ook.

Maar geloof me alsjeblieft als ik zeg dat ik nog nooit in mijn hele leven iets zó vreselijk heb onderschat als dit.

Gitaarspelen.

Niet dat ik dacht dat het een eitje zou zijn. Ik had wel eens eerder een gitaar in mijn handen gehad en een paar akkoorden vluchtig in een middag geleerd, maar in werkelijkheid is het zoveel meer dan alleen een paar snaren en wat stoer ritmisch bewegen met je rechterarm.
Sterker nog, als het aan mijn gitaarleraar ligt, is het ook nog eens vallend, plukkend, snel, langzaam, hard, zacht, dynamisch, halve noot, hele noot, verlengde noot, herhalend, overslaand, doorklinkend, kort en krachtig, met spreiding, glijdend, eerste positie, tweede positie, vierde positie, en alsof het in het Nederlands nog niet moeilijk is, gaan we gewoon doodleuk verder in het Spaans, sul ponticello, loco, sul tasto, Dal Segno, golpe, D.S. al Fine, golpe sul tasto, marcato, staccato, legato.
Oh, en laten we ook vooral de notenwaarden, maatsoorten en rustwaarden niet vergeten!

Alsof het niets is.

Man, ik heb zo ontzettend veel respect gekregen voor mensen die goed gitaar kunnen spelen. They make it look so simple, maar dat valt je nog vies tegen. De eeltlaag op mijn vingers lijkt zich maar niet te ontwikkelen en met mijn linkerpink is het al helemaal dramatisch gesteld. Ik kan me bijna niet voorstellen dat daar ooit genoeg (buigings)kracht in zal zitten dat ik niet na een schamele drie kwartier móét stoppen, omdat een sliert spaghetti nog steviger is dan mijn pink.

Ja ja, ik weet het. Oefening baart kunst. Maar hebben ze ook niet iets tegen eventuele ongeduldigheid? Hebben ze daar ook niet zo’n pakkende term voor? El gaat vanzelvo, bijvoorbeeld? Dat zou pas mooi zijn.
Helaas. Over een jaar klinkt het misschien net ergens naar en over twee jaar mag ik pas overwegen om een elektrische gitaar te bekijken (niet aanraken, s.v.p.). Voor ik zover ben, heb ik nog een hele lange weg te gaan. Maar dat moet lukken.

Zoals mijn gitaarleraar altijd zegt: ‘Wees nooit bang om fouten te maken!’  Dan komt de rest vanzelf.

…Na een paar jaar. Maar dát zeggen ze er nooit bij.

null

Ik ga slapen, ik ben moe
Sluit mijn beide oogjes toe
Heere houdt ook deze nacht
Over mij getrouw de wacht

Dit zong ik vroeger altijd samen met mijn vader als ik naar bed werd gebracht. Het ging nog minstens zo’n acht regels verder, maar dat had vast een veel te hoog Jezus-gehalte en bovendien wisten mijn ouders toch wel dat ik nog te klein was om de diepere betekenis erachter te snappen. Sterker nog: het is me nooit opgevallen dat ik eigenlijk ‘Heere’ zong. En als me dat wel was opgevallen, had ik vast niet eens geweten wie die gozer dan wel was.

Maar nu gaat het me eigenlijk niet eens om het feit dat mijn ouders ooit een poging hebben gedaan om mij en mijn broertje christelijk op te voeden, maar uiteindelijk zelf het bijltje er maar bij neer hebben gelegd omdat ze er zelf eigenlijk ook geen hol van geloofden.

Nee.

Waar het mij vandaag om gaat: waarom kan het gewoon niet zo simpel zijn?
‘Nou jongens, ik ga slapen, want ik ben hartstikke moe!’
Dat kan ik wel zo leuk zeggen, of voor mijn part zingen, maar als ik vervolgens in mijn bed ga liggen kan ik je verzekeren dat ik nog minstens anderhalf uur klaarwakker onder mijn dekens lig.

Niet kunnen slapen? Oké. Dat is nog tot daaraan toe. Maar het ellelange poging-tot-in-slaap-val-proces is altijd zo eindeloos vermoeiend.

Je stapt afgepeigerd, uitgeput en afgemat je bed in, draait je op je zij en doet je ogen dicht. Eindelijk lig je in je warme, zachte bed. Haaa. Heerlijk. Op naar dat welverdiende schoonheidsslaapje.
-tien minuten later-
Krijg nou wat. Waarom ben je nog steeds wakker? Nou ja, het zal wel loslopen. Met goede hoop en een ontspannen zucht draai je je om, op je andere zij. Welterusten.
-halfuur later-
Hm. Met een argwanende blik, gericht op het duister van je donkere kamer, ga je op je rug liggen. Hier klopt iets niet. Net rolde je nog bijna van de bank af van de slaap en nu lijk je weer – ach. Als je je daar nu druk om gaat maken, slaap je over honderd jaar nog niet. Verstand op nul, ogen dicht, slapen. De ochtend is nog ver weg.
-uur later-
Geïrriteerd ga je op je buik liggen, terwijl je weet dat dat helemaal niet lekker ligt en je daarvan al helemaal nooit in slaap zult vallen. Ja. Inderdaad. Je bent nog altijd wakker. En niet zo’n klein beetje ook. Zelfs het gapen lijkt je vergaan te zijn. Toch doe je hardnekkig je ogen dicht en blijf je koppig denken, je er zelf mee proberend te overtuigen: ‘Ik slaap, ik slaap, ik slaap…’
-twee uur later-
…niet.

En alsof dat nog niet erg genoeg is, is het ook áltijd zo wanneer je de volgende ochtend vroeg uit je bed moet. Net zoiets als dat het zondagochtend is en je niet uit kunt slapen en om acht uur al klaarwakker naast je bed staat. (Nu moet ik wel eerlijk toegeven dat dit minder vaak voorkomt. De woorden ‘acht uur ’s ochtends’ en ‘klaarwakker’ komen bij mij meestal niet voor in combinatie met ‘zondagochtend’.)

Het is stomvervelend als je niet kunt slapen. Het gevoel dat je klaarwakker bent, terwijl dat ’s ochtends als je wekker gaat nooit zo is. Het gevoel dat je die tienduizend dingen op dat moment net zo goed zou kunnen doen, terwijl je het de volgende dag met lucifers tussen je oogleden nog maar net haalt tot aan het midden van je nog-te-doen-lijstje. Het verraderlijke gevoel van valse hoop, dat je het de volgende nacht dan wel weer inhaalt…

…En vervolgens weer niet kunt slapen.

Ik weet niet wat Klaas Vaak met z’n zand doet, maar ik geloof niet dat dat het enige is wat ie onderweg is verloren.