Weer of geen weer?

oktober 24, 2008

Misschien is dit een heel afgezaagd onderwerp, maar ik wil het er toch nog eens over hebben: het weer. Ik weet het, niet bijster origineel, maar – ho. Wacht nou eens even. Waarvoor zit ik die excuses nu eigenlijk te maken? Waarom beschouwen we ‘het weer’ hier eigenlijk als het gevreesde onderwerp, dat alleen ter sprake komt als er een onhandige stilte valt? Of dat handig van pas komt bij de mensen die je eigenlijk niet mag, maar die je ook niet straal kunt negeren? Of dat misschien die vrijwel mislukte date toch nog ietsje minder pijnlijk kan maken (of juist niet)?

Niemand kan ontkennen dat het in de bovengenoemde situaties wel heel erg van pas komt, maar je kunt mij ook niet wijsmaken dat je het er anders nooit over hebt.

Nee, wij Nederlanders praten nergens anders meer over, al eeuwenlang. En geef ze eens ongelijk. Het weer vraagt er ook gewoon om.

Het slaat toch ook helemaal nergens op?

Neem nou gisteren, bijvoorbeeld. Nadat mijn wekker heel bruut was afgegaan, opende ik moeizaam mijn ogen, waarna ik de deken met een groot gebrek aan energie van me af sloeg. Ik strompelde voetje voor voetje naar mijn raam en opende voorzichtig de gordijnen… Goeiemorgen! Verblind door de felle stralen zonlicht, maar ook aangemoedigd door de welkome warmte, gooi ik mijn gordijnen verder open. Dit is fantastisch! Een stralende zon. Een ongelofelijk strakblauwe lucht. Geen wolkje te zien. Vrolijke, luid kwinkelerende vogeltjes. Het is schitterend.

De volgende dag stap ik, een stuk kwieker dan de vorige ochtend en met hernieuwde krachten, mijn bed uit. Vol goeie moed gooi ik de gordijnen open en… Nope. Vergeet het maar. Wolken. Wolken, overal waar ik kijk. Niet te grijs, ook. En vooral die regen! Onvriendelijk, bijna dreigend, beukt het onophoudelijk tegen het raam. Ik voel die gure kou nu al. Brr. Oh, bittere duisternis.

Zie je wel? Valt geen touw aan vast te knopen. Dus bij dezen, lieve mensen, wil ik voorstellen ‘het weer’ juist als hét onderwerp van de dag om te dopen. Val in elkaars armen, huil uit op elkaars schouders en vooral: gooi het eruit!

We weten hoe het voelt.

Shopping spree

oktober 14, 2008

Heel leuk, hoor, dat winkelen. Alleen een beetje jammer dat je niet in één oogopslag kunt zien of die broek je inderdaad zo fantastisch staat als je van te voren hoopt.

Nee, in plaats daarvan sta je jezelf op een late dinsdagmiddag zwetend in een overduidelijk veel te kleine broek te wringen. Hè, hoe kan dat nou? Je lijkt opeens drie maten groter nodig te hebben.
‘Ze vallen heel klein, hè!’ Waarschuwt de verkoopster je dan, terwijl ze de gordijn ongevraagd open ritst.
Aha. Dat verklaart een hoop.
Ongeduldig wurm je je weer uit de broek en vraag je om een grotere maat. Die ze niet meer hebben.

Zucht. Het zou me niet verbazen als een soortgelijk scenario je maar al te bekend voorkomt. Passen. In een pashokje. Meestal niet bepaald de leukste bezigheid, want behalve dat er dingen zijn die je besluit wél te kopen, zitten er eigenlijk nog veel meer artikelen tussen waarvan je diep van binnen wenste dat je ze nooit aan had gepast. Die broek maakt je kont namelijk veel te dik, dat vest is ook al te klein, om over dat hemdje nog maar te zwijgen. En dat shirt, je lijkt er wel zwanger in!
Verschrikkelijk.

Toch zijn het geen monsters, die winkeliers. Ze proberen het hele proces zelfs wat aangenamer te maken, door de pashokjes te voorzien van allerlei handige snufjes.

Zoals dat volledig-niet-aansluitende roodfluwelen gordijn, wat ze voor de opening hebben gehangen. Ja, inderdaad. Ik voel me meteen een stuk gemakkelijker als de halve winkel kan meegenieten van passessies in mijn ondergoed.
Of dan de belichting. Het maakt niet uit waar of in welk pashokje dan ook, overal hebben ze zo’n meedogenloze, allesverwoestende spotlight hangen, zo recht uit het plafond, waardoor plotseling alle zorgvuldig weggepoederde oneffenheden drie keer zo gigantisch lijken dan dat ze in werkelijkheid waren (…toch?).
De spiegel is trouwens wel kolossaal. Handig, zeg je? Jawel, alleen is het pashokje zelf dan weer zo minuscuul dat je eigenlijk gedwongen bent om op je tomaathoofdigst het pashokje te verlaten om jezelf er beter in te kunnen bekijken, terwijl de vrouw-van-het-pashokje-hiernaast je ongegeneerd aan kan gapen en vervolgens ongetwijfeld tot de conclusie komt dat die broek die ik aanheb haar pertinent beter staat.

Omgekleed en wel wandel je, wankelend onder het gewicht van al die kledingstukken die je onhandig over je linkerarm hebt gekwakt, het pashokje weer uit.
‘Die worden het?’ Vragend wijst de verkoopster naar je trillende arm.
‘Eh, nee. Alleen deze,’ antwoord je, en je houdt maar liefst één broek omhoog, die onopvallend over je veel minder belaste rechterarm had gehangen.
‘Oh.’
Moet ze al die honderdtweeënzeventig kledingstukken terug gaan hangen.

Oh, als je dan toch bezig bent: haal dan meteen even een stofdoek door je pashokjes, wil je?