Kiss my dress

augustus 18, 2008

Met mijn hoofd in mijn nek staar ik bewonderend naar boven. De grote letters, die dat oh zo bekende woord vormen, glanzen me uitnodigend toe. Plotseling schrik ik op uit mijn dromerige gestaar. Iets of iemand roept me. Ik scheur mijn blik los van het dure woord boven me en kijk ongegeneerd naar binnen. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes om te zien waar dat zalige geluid vandaan komt, en – opeens stokt mijn adem in mijn keel. Daar is ze. Oh, ze is prachtig. Fabuleus. Uitzonderlijk. Fantastisch. Het is alsof ze me roept.
‘Kom, kom toch binnen!’ Kirt ze, terwijl ze uitnodigend met haar satijnen linten wappert. Ik weet dat het geen zin heeft, voel mijn portemonnee protesterend in mijn jaszak zitten. Niet dat dat me tegen kan houden, natuurlijk. Ik haal even diep adem en stap dan, een tikkeltje aarzelend, de net zo glanzende drempel over. Nee, niets houdt me nu nog tegen.

Een euforisch gevoel in mijn buik. Ik ben er, I made it! Met één blik in de winkel verdwijnt het gevoel meteen, maar ik probeer er niet aan te denken en doe net alsof ik hier ook hoor. Ik kom hier dagelijks, ben hier vaste klant, schaf hier hele garderobes aan en glimlach onovertuigend naar één van de bovenmenselijk hippe verkoopsters, om mijn eigen beweringen kracht bij te zetten. De verkoopster fronst haar voorhoofd (denk ik, want ik zie geen rimpel), ten teken dat mijn poging finaal mislukt is.
Maar ik laat het daar natuurlijk niet bij zitten. Ik ben nu immers al binnen. En bovendien is dit fantastisch. Ik hou mijn adem in als ik over de zachte stof strijk en de perfect afgewerkte kanten biesjes bewonder. Zelfs de veel te harde, maar ongetwijfeld ontzettend hippe rapmuziek, die uit onzichtbare speakers bonkt en mijn trommelvliezen binnen nu en tien minuten compleet zal verbrijzelen, kan me niet meer kwellen. Ik heb haar nu binnen handbereik.

‘Kan ik je ergens mee helpen?’ Geschrokken kijk ik op, recht in het gezicht van één van de ultrahippe verkoopsters. Ze slaat haar armen ongeïnteresseerd, maar uitdagend, over elkaar. ‘Ben je naar iets specifieks op zoek?’ Blaft ze verder. Ze probeert me keer op keer heel strategisch net niet aan te kijken en begint dan met maaiende armen in het rek te zoeken. ‘Welke maat heb je?’ Maar nog voor ik antwoord kan geven, duwt ze me al een adembenemend exemplaar in mijn handen. Het is een L. ‘Ze vallen heel klein,’ snauwt ze, als ik haar vragend aan probeer te kijken. Aarzelend strijk ik weer over de soepele, zachte stof en verlangend reiken mijn vingers naar het prijskaartje –
‘Tweehonderdtwintig euro,’ bitst ze op een vergeet-het-maar-toon, nog voor ik zelf heb kunnen kijken. Oh. In dat geval. Dan zijn ze hier nog erger dan ik dacht. Met pijn in mijn hart druk ik de jurk weer in de armen van de verkoopster. ‘Sorry, het is toch niet helemaal wat ik zoek,’ zeg ik, nog voor ze me kan afbekken. Haar gezicht vertrekt en met een kattig ‘tot ziens!’ kijkt ze me de winkel uit.

Tweehonderdtwintig euro?

Kiss my dress.

Apply some pressure

augustus 11, 2008

Gisteravond was het dan eindelijk zover. Dagen had ik er al naar uitgekeken, weken, maanden. Het Maxïmo Park-concert.

Om kwart voor acht (een kwartier te laat), begon het voorprogramma. Eerst was ik blij, verheugd. Eindelijk begon het dan echt, eindelijk ging iedereen staan, eindelijk! De lichten in de zaal werden gedimd, het geroezemoes verstomde. Verwachtingsvol staarde iedereen naar het podium…

Een man met een oenig brilletje en een misplaatst houthakkersshirt kwam het podium oplopen. Ik keek naar de linkerkant van het podium, er vanuit gaand dat de rest van de bandleden er zo wel achteraan zouden komen, maar deze man was de enige. Ja, voor nu misschien, dacht ik schouderophalend. Hij zou gewoon beginnen en dan zouden de rest van de bandleden straks met veel kabaal en een hoop circus plotseling uit het niets verschijnen. Ja. Geweldig! Wie bedenkt er nou zoiets? Dat is dé perfecte afleiding voor eventuele sporen van ongeduldigheid.

Toen het laatste akkoord van het (overigens uiterst rustige) eerste nummer door de zaal galmde (hoewel het daarvoor eigenlijk niet hard genoeg klonk), schoten er weer een duizend paar ogen naar links. Waar bleven die bandleden toch?

Tot ieders verbazing mompelde de volstrekt onopvallende man iets in het Engels wat leek op dat ‘het volgende nummer zus en zo heette’ (volstrekt onverstaanbaar was ie ook nog, ja). Wat? Hoe bedoel je ‘het volgende nummer’? Kwamen de bandleden deze arme man niet helpen? Was er dan niemand in de zaal die een poging ging doen om hem te redden? Was er dan niemand dapper genoeg?

Blijkbaar niet. De man bleef hardnekkig in de microfoon kwelen, terwijl hij zachtjes over de snaren streek. Nee, aaide. Was dit soms een grapje? Dit konden ze toch niet menen? Was dít, God sta ons bij, het voorprogramma? Ik ben al velen concerten afgestruind, heb al velen verschillende soorten voorprogramma’s meegemaakt. Ik heb zelfs al een keer eerder een voorprogramma gehad wat ook bestond uit één enkele jongeman. Maar die zag er tenminste niet uit of ie, meer dood dan levend, met z’n lippen aan de microfoon vastgeplakt zat alsof het zijn infuus was dat hem op een haartje na in leven hield. Die máákte er tenminste nog wat van, probeerde ons te vermaken, kon ons entertainen.

Deze man, daarentegen, had er overduidelijk geen kaas van gegeten. Dapper probeerde hij ons elke keer als hij even stilviel er weer van te overtuigen dat er een nieuw nummer aankwam, maar ik was er eigenlijk meer van overtuigd dat hij één en hetzelfde, lange, saaie nummer steeds maar onderbrak om het geheel (als dat er was) nog een beetje vorm te geven. Het leek wel alsof ie steeds hetzelfde speelde en ik steeds luisterde naar eenzelfde aanéénschakeling van terneergeslagen gebrabbel, zijn ogen gesloten alsof hij zijn uiterste best deed om het zo mooi (lees: gedeprimeerd) mogelijk te maken, maar hoe harder hij zijn ogen dichtkneep, hoe harder ik moest proberen een ongegeneerde geeuw te onderdrukken.

Ik vond mezelf daarom nog best een aardig publiek. De rest van de zaal klapte weliswaar beleefd na elk ‘nummer’, maar terwijl hij depressief in zijn microfoon jeremieerde, blafte iedereen er gewoon asociaal doorheen. Niet zo gek, ook. In plaats van dat ik uit mijn dak stond te gaan in deze legendarische rocktempel, probeerde ik me slaperig kostte wat het kostte op zijn teksten te concentreren. Het enige wat ik echter deed was flarden van gesprekken opvangen die nog interessanter waren dan het kattengejank van deze eeuwenoude mummie.

Toen het plotseling weer helemaal stil was (niet dat iemand dat had gemerkt), kondigde hij levenloos aan dat ‘this the first song on the album’ was. Pardon? Zag je duizend gezichten vol walging uitdrukken, er bestaat een heel album van deze ongein? God save us all. En opeens, helemaal uit het niets, begon ie op zijn gitaar te rammen, alsof er iets in hem is dat knapte (een uiltje, misschien?). Even dacht ik dat ie het licht had gezien, dat deze ‘song’ de avond voor hem nog zou kunnen redden, maar nog geen twee seconde later begon ik weer te knikkebollen. Het was zeker een schijnbeweging, want langzaam maar zeker pijnigde het neerslachtige gejengel mijn oren weer onophoudelijk. Oh, meedogenloosheid.

Terwijl de zaal steeds rumoeriger werd bij elk zogenaamd nummer dat deze dooie pier aankondigde, begon hijzelf op een gegeven moment ook te merken dat niemand zijn teksten kende en hij, pijnlijk genoeg, overduidelijk wel de laatste persoon op aarde was van wie wij überhaupt ooit teksten mee zouden wíllen zingen. Toen hij zijn ogen weer opende, het publiek uit medeleven een soort applaus-in-wording liet horen en er wat sarcastisch gefluit en gejoel klonk, zei hij opeens:

‘This song is very special and it’s the most beautiful when you’re very, very quiet. But feel free to keep on talking on this very loud volume.’

Verschillende monden vielen open van verbazing. Ogen schoten verontwaardigd naar het podium. Wát? Ik begon furieus zwaarder te ademen. Wát zei hij? Hij probeert zijn ongetwijfeld verschrikkelijke leven gedeprimeerd met ons te delen en dan hebben wij het zeker gedaan? Hij zit de show hier een beetje kannibalistisch te vergallen en dan is het zeker onze schuld? Hij weet de naam van deze prachttent te bezoedelen en dan denkt ie dat ie daar ongestraft mee weg kan komen?

Gelukkig waren wij in ieder geval niet degene die voor paal stonden.
Dat scheelt.