The Big Apple staat weer eens op zijn kop. Levenloos lig je op de koude tegelvloer in je appartement, waar ze je gevonden hebben. Paniek. Commotie. Chaos. Na een halve dag zijn niet alleen vrouw en kind ingelicht, maar kun je er zonder overdrijven van uitgaan dat de hele wereld ervan op de hoogte is. Niet slecht.

Hoezo ‘what else is new’? Ik ben heus niet op mijn achterhoofd gevallen en ik heb de afgelopen maanden ook niet onder een steen gezeten. Ik ben springlevend en als ik niet beter zou weten, zou ik bijna zeggen dat hij dat ook was. Ik wéét dat hij al meer dan een half jaar geleden het loodje heeft gelegd, maar als het z’n keuze was geweest om onder de groene zoden te liggen, had ie zich vast omgedraaid in zijn graf, puur uit verveling. Tja, je moet toch wat.

Maar zonder ziel is het nu eenmaal een beetje lastig allemaal. En toch… Wie geprezen wil worden, moet er blijkbaar eerst voor sterven. Vrijwillig? Da’s weer een heel ander verhaal. De dood heeft geen kalender en daarom hebben wij ook geen enkel recht om hem suïcidaal, een ongelofelijke oen, hulpeloos verslaafd of De Pineut te noemen. Niemand zal er ooit achter komen waar ie op dat moment aan dacht, of hoe hij zich al die tijd nou echt voelde.

Maar is dat dan eigenlijk nodig? Is dat dan nodig als je nu nog steeds briljant kunt schitteren in een film-goes-kaskraker, smoezelig geschminkt en krankzinnig als een schizofreen? Is dat überhaupt nog nodig als je er bijna zeker van kunt zijn dat je er een Oscar voor in de wacht zal slepen, ook als je niet in staat bent hem op te komen halen, in levende lijve, met een stotterend praatje, een hoop plastic glimlachjes en een portie onvrijwillig geschudde handen tussendoor?

Welnee.
Je hebt het of je hebt het niet.
En hij had het niet. Hij heeft het.

Weet jij al hoe je je kinderen later gaat noemen? Hoe zou je geheten hebben als je een jongetje was geweest? Wat betekent jouw naam?

Waar iedereen zich tegenwoordig al niet druk om maakt. Een naam geven aan een kind is niet zo eenvoudig meer als het altijd was. De tijden van Jan, Klaas, Piet, Katrijn en Mies zijn voorbij, we wikken en wegen wat af voor we ons kind prijzen met de meest uiteenlopende creaties en verzinsels. Alles kan tegenwoordig fungeren als naam, niets is men nog te dol en als je niet kunt kiezen tussen twee namen? Dan plak je ze toch gewoon achter elkaar. Prima.

Maar de naam zelf doet er nog niet eens zo heel erg toe. Nee, het tweede punt waar men nu op moet letten, waar het nu allemaal om draait, is de betekenis. Ooit over nagedacht waar jouw naam vandaan komt en wat het betekent? Nee? Oh. Maar je ouders wel, geloof mij. Je kunt je kind tegenwoordig niet roekeloos een naam toegooien, er moet een diepe betekenis achterzitten, het liefst een heel verhaal. Je ligt nog in de wieg, maar je hebt bij wijze van spreken al geschiedenis geschreven.
Tja, anders hoor je er simpelweg niet bij, dan tel je gewoon niet meer mee. Wat? Betekent jouw naam niet iets als de geweldige, intelligente of onverslaanbare? Dan kun je dus wel naar je toekomst fluiten. Dat wordt nooit wat met die baan later.

Maar als ik om me heen hoor wat al die namen betekenen, ben ik ervan overtuigd dat het goed komt met iedereen. De stralende, de schitterende, roemvolle strijder, zee, de geliefde, van edele afkomst, genadig, lieflijk, geboortedag van Christus, maan, hij ziet uit naar God, de kleine krijgshaftige, glanzende, overwinning, sterk in de strijd, vrouw uit Judea, bloeiend, bekoorlijk, ik zweer bij God, zegevierende strijdster, lelie, laurier, geweldige, vrede, de wilskrachtige beschermer, strijdende steun, bewerker van de aarde, morgenstond, de leven gevende, ster, lieflijke jonkvrouw, de blanke vruchtbare, vrije man, bosweide van Cyneburg, honingbij – ik bedoel maar. Ik ruik hier een succesvolle carrière en proef de perfecte levenspartner, waar de meest fantastische gezinnen uit voor zullen komen.

Of dat voor mij ook is weggelegd? Nou, ik wacht in spanning af.

Linda: verkorte vorm van namen met de Germaanse stam “Lind” (schild van lindehout of slang).

… Juist ja. Ze hadden ook gewoon meteen voor ‘gedoemde mislukkeling’ kunnen kiezen. Verdomde Germanen.

M9 HE-DP Grenade

juli 12, 2008

‘Nou, ik ga er weer even een paar afknallen, hoor!’

Je zou het niet zeggen, maar dit is een doodgewone scène uit ons veilige, huiselijke leventje. Dagelijks krijg ik dit soort opmerkingen naar mijn hoofd geslingerd, elke avond klinkt het weer even moordlustig.

Of ik me bedreigd voel? Welnee. Waarom zou ik ook?

Ja, natuurlijk, ietwat ongeduldig duwt hij de CD-rom in zijn computer en agressief rammelt hij vervolgens op zijn toetsenbord omdat hij niet kan wachten, maar verder is er niets gevaarlijks aan een vader die graag Halo speelt na het avondeten.

Het is één van zijn van zijn favoriete hobby’s, sinds een aantal maanden is hij niet meer weg te slaan bij zijn computer. Alles draait alleen nog maar om het grote aantal monsters dat hij moet verslaan, de wapens die hij daarvoor heeft en de aanwijzingen die hij hiervoor krijgt. Ik weet niet wat zijn leerlingen hem als Wiskunde-leraar hebben aangedaan, maar hij reageert zich dagelijks af op zijn toetsenbord en weet zelfs de meest afschuwelijke schepsels te verslaan (…wat zou hij dan doen met de meest vervelende leerlingen?).

En als hij dan na het eten zijn vertrouwde plekje achter de computer heeft gevonden, valt er ook geen normaal woord meer met hem te wisselen. Zelfs de meest simpele vragen lijken plotseling langs hem heen te gaan, lijken zijn kennis te boven te gaan.
‘Pap, waar zal ik je thee neerzetten?’
‘Ja, vrijdag.’

Dat bedoel ik dus.

Nou, laat ik hem dan eerst maar even de wrede Covenant proberen te verslaan door middel van een echte MA5B Assault Rifle in zijn snelle Banshee. Of wat dacht je van de Warthog, de M6D Magnum of de gevaarlijke Combat forms?

Nee, ik weet ook niet wat ik zeg. En het zal me eerlijk gezegd ook een worst wezen. Zolang mijn vader mij nog niet verward met een vreselijk wezen dat hij af moet knallen voor het te laat is, vind ik alles best. Laat hem z’n gang maar gaan met die M9 HE-DP Grenade van ‘m.

De GVC

juli 3, 2008

Zo lag ik vorige week nog kermend over de vloer te rollen van verveling, hopend op een spontane briljante ingeving voor mijn weblog, zo word ik deze week spontaan op mijn wenken bediend. Ik kreeg gister plompverloren twee onmenselijke klanten aan mijn kassa, gratis en voor niets! Zonder dat ik er ook maar iets voor hoefde te doen. Wat een luxe.

Leuk, nieuw schrijfmateriaal, denk ik nu. Maar toen ik gister achter de kassa zat, was het niet bepaald wat je noemt een typisch geval van dikke pret. Om eerlijk te zijn, ik voelde allesbehalve de behoefte om vriendelijk te blijven en ik had de onweerstaanbare drang om met dingen te gaan gooien. Met de stapel mandjes naast mijn kassa, bijvoorbeeld.

Ik, te goed voor deze wereld, heb me natuurlijk in weten te houden en heb beide klanten zelfs nog vriendelijk een fijne dag weten toe te wensen (en het klonk ook nog alsof ik het meende). Ongelofelijk. Want deze twee klanten zullen de gespannen kroon toch moeten delen.

De eerste klant begon al goed. ‘En nu wil ik eens even klagen,’ begon ze, er geen-gras-over-laten-groeiend. Meteen kwam er één grote woordenstroom uit haar mond, over producten die er nooit waren als zij er naar zocht, dat dit nu al weken zo was en dat ze er gek van werd. Ik knipperde verdwaasd met mijn ogen.
‘Zie ik er dan niet uit,’ dacht ik, ‘als een totaal verveelde (post-)tiener, die zich alleen maar een paar keer per week achter de kassa hijst omdat ik toch wat moet en op wiens voorhoofd met levensgrote neonletters getatoeëerd staat dat het me echt aan mijn reet gesoldeerd zal zitten of ze haar Conimex-nasi kan vinden of niet?’ Maar ze bleef maar doorgaan, er blijkbaar heilig van overtuigd zijnd dat ik met één of ander magisch Albert-Heijn-trucje de nasi toch stiekem van onder mijn kassa tevoorschijn kon toveren.
Eén woord: klantenservice.
Speciaal voor, zoals het woord eigenlijk al stiekem verklapt, klanten. En toch schijnt het heel moeilijk te zijn voor het grootste deel en zijn wij, onschuldige caissières, er altijd weer de dupe van.

Je zou het misschien niet geloven, maar de tweede klant maakte het toch net ietsje bonter dan de vorige. Ik scande haar boodschappen en opeens riep ze: ‘Wat? Dat is belachelijk!’ Ik keek niet-begrijpend op. ‘Die citroen!’ Vervolgde ze ongelovig, terwijl ze naar het schermpje wees. ‘Negenenvijftig cent?’
Daar heb ik altijd zo’n hekel aan, hè. Het is tegenwoordig al te veel gevraagd voor klanten om gewoon goed te lezen. Hebben zij dat dan nooit geleerd, vroeger, in groep zeven? ‘Lezen is nog belangrijker dan rekenen.’ Een wijze les, die ik nooit vergeten ben en waar deze klant nog iets van zou kunnen leren.

Het schap met citroenen bestaat aan de linkerkant uit netjes met drie citroenen erin en de rechterkant is gevuld met losse citroenen. Er staan dan ook twee bordjes bij: de citroenen in netjes kosten één euro tachtig en de losse citroenen negenenvijftig cent. Maar de klant, immuun voor hoge prijzen en allergisch voor ongelijk, vertrouwde blindelings op het goedkoopste en maakte gewoon haar eigen Theorie van de Citroenen: er lag nog één losse in het schap, wat dus betekent dat deze uit één van de netjes is gevallen en aangezien de netjes negenenvijftig cent zijn (huh?), kost deze losse citroen maar twintig cent. Ha. Daar hebben wij natuurlijk niet van terug.

Maar de kassa helaas wel.

Enfin, toen de kassa steeds maar negenenvijftig cent aan blééf geven en het netje citroenen drie keer zo duur bleek te zijn, barstte de hel los. Het was allemaal maar weer verschrikkelijk belachelijk, ze schold en tierde erop los en probeerde tot overmaat van ramp met een schamper lachje naar mij en verontschuldigende ‘Sorry, hoor’s de sympathie van de rest van de rij wachtende klanten voor zich te winnen. Want, jeetje, hoe durf ik die citroenen zo duur te toveren?

Want het komt allemaal door mij.
Ja, Ik was het.
Ik, de Grote Vreselijke Caissière.