De Winterpeen

maart 27, 2008

‘Had u nog een bonuskaart?’
‘Spaart u koopzegels?’
‘Wilt u het bonnetje er ook bij?’

Ik werk bij de Albert Heijn. Elke week weer mag ik klanten verblijden me de bovenstaande uitspraken en sinds anderhalf jaar ben ik gezegend met een waar naamplaatje en een bijpassend sjaaltje.
Over het algemeen ben ik best een behoorlijk vriendelijke caissière, al zeg ik het zelf. Nu is mijn mond nooit echt groot geweest en is de spreidingswijdte nooit verder uitgedijd dan een zielige vijf centimeter, dus dat scheelt. Ik zou nooit iemand zomaar uitkafferen en zeker niet klanten van de Albert Heijn. Die zijn immers de koning.

Maar soms mogen deze zogenaamde vorsten en vorstinnen die bonuskaart best in hun koninklijke reet stoppen en als het even kan, mag het hele rolletje koopzegels er direct achteraan.

Ik denk niet dat veel mensen het doorhebben, maar zes op de tien klanten gedragen zich vrijwel altijd bot en uitermate onvriendelijk. Ze blijven onverbiddelijk in hun mobieltje boeren, vinden het niet nodig ook maar één (mede)klinker aan mij vuil te maken of slingeren keiharde en onnodige verwijten naar mijn hoofd. En zeuren dat ze kunnen, allemachtig. Opgroeiende kinderen en rebellerende tieners zijn er niets bij vergeleken.

‘Dat is echt ontzéttend duur, wist je dat?’ Blafte een vrouw me laatst met grote ogen toe. ‘Belachelijk!’ Het ging hier om een – hou je vast – winterpeen van maar liefst negenenveertig cent. Ja, ik schrijf het hele bedrag maar even voluit, dan lijkt het ook tenminste nog ergens op. Negenenveertig cent! Een kapitaal, een fortuin, oh schrikbarende onbetaalbaarheid.
‘Pas kocht ik hem nog voor veel minder!’ Voegde ze eraan toe, terwijl ze ongelovig het bonnetje aanpakte en haar ogen vrijwel direct naar het Bedrag des Onheil schoten. Ik vroeg haar of dat ook bij de Albert Heijn was. ‘Nee,’ antwoordde de vrouw, bijna spottend.
‘Nou,’ dacht ik, terwijl ik uit alle macht niet met mijn ogen probeerde te rollen, ‘Koop je winterpenen dan ook niet bij de Albert Heijn, mens!’ Weer een wijze les geleerd. En kijk voortaan ook even van te voren naar het prijsbordje, om teleurstellingen te voorkomen. Die hangen er ook niet voor de sier.

Klanten kunnen ook behoorlijk link worden als je je menselijk gedraagt.
‘Heb je die vijfendertig-procent-korting-sticker wel gezien?’
‘Heb je er koopzegels bij gedaan?’
‘Kan ik mijn bonuskaart nog aan je geven?’
Op deze bovenstaande vragen durf je als onschuldige caissière op een gegeven moment gewoon geen antwoord meer te geven. Want zodra je het verlossende, maar o zo alles vernietigende woordje uitspreekt, spuwen de ogen vuur en schieten de blikken onwillekeurig naar mijn blonde haar.
‘Nee,’ antwoord ik voorzichtig, ‘Sorry, dat moet ik even vergeten zijn.’ Een beetje goede klant hoort dit laatste niet eens meer. Immuun voor excuses, maar niet voor fouten. Die zullen ze me dan ook niet zo voorzichtig en vooral met veel speeksel en gesnuif duidelijk maken.

Vergeten en vergissen is menselijk, maar blijkbaar komen klanten dan van een andere planeet.

Clumsy

maart 24, 2008

Ha, eindelijk. Ik ben eindelijk klaar met werken, gooi vol goeie moed de deur open en… Oh, hier heb ik toch zo’n godsgruwelijke hekel aan. Ik mag me alvast mentaal voorbereiden op een rit door de stromende regen naar huis, tegen windkracht tien in. Alsof ik nog niet genoeg geleden heb, vandaag.

De hele terugweg zit ik scheldend en tierend op de fiets. De regen is te koud, de wind waait te hard, de stoplichten staan te lang op rood. Oef, vooral dit stomme stoplicht. Hallo? Ondanks dat de dag niet zo lang meer duurt, heb ik toch wel meer te doen dan een beetje in die pisregen voor een stoplicht te staan wachten, terwijl ik heel hard hoop dat mijn vingers er niet afsterven van de kou. Ik voel ze al niet meer, dus ik zou maar een beetje haast maken met dat zogenaamde groene licht van je.

-vijf minuten later-

Nou ja zeg. Ik heb nog nooit zo’n brutaal stoplicht gezien. Hij blijft maar hardnekkig op rood staan, terwijl ik steeds ongeduldiger word. Gut, hij moet er geloof ik nog even over nadenken. Ik daarentegen heb al genoeg gefilosofeerd: sorry makker, maar ik ga nu toch echt. Ha, dat had je niet verwacht hè? Ik heb gewoon zware lak aan de verkeersreg –

Plotseling valt mijn oog op een wit bordje. Terwijl ik gegeneerd om me heen kijk, mompel ik onverstaanbare, maar nederige excuses naar het stoplicht.

‘Vrije doorgang’.

Drop ‘till you shop

maart 21, 2008

null

…Of was het nou andersom?

Eenzelfde vraag zou je bij ons thuis kunnen stellen. Terwijl de vrouwen nietsvermoedend thuis zitten, plunderen de mannen de winkels. Hé, wacht eens even. Hoort dat niet andersom te zijn? Mannen houden toch helemaal niet van winkelen? En als zij dan de hort op zijn, wat doen die vrouwen dan de hele dag?

Maak je niet druk, wij hebben genoeg te doen. Maar daar wil ik het nu niet over hebben (lees: een waslijst met dingen die we nog moeten doen, of waarvan wij vinden dat ze per sé vandaag of morgen moeten gebeuren, zal ik jullie met liefde besparen).

Om even terug te komen op het onderwerp (vlug, voor ik weer afdwaal): die mannen shoppen voor hun leven. Zowel mijn vader als mijn inmiddels puberende broertje kunnen er stiekem niet genoeg van krijgen. Nou ja – stiekem? Zo’n groot geheim maken ze er niet van. Winkelen, shoppen, inkopen doen, het maakt niet uit hoe je het noemt, als het geld maar rolt. En flink ook.

Nu is dit niet altijd het geval bij mijn broertje, simpelweg omdat hij lang niet altijd genoeg geld heeft om te kunnen laten rollen. Maar als ie het heeft, slaat hij zijn slag. Je weet wat ze zeggen: kleren maken de man. Bij mijn broertje geldt hetzelfde, maar dan net iets anders: afzakkende broeken en duidelijk zichtbare boxers maken de dope homie. Hij kiest natuurlijk wel de beste winkels uit, want van de V&D en de C&A moeten we het vooral niet hebben. Hiervoor zijn Jack & Jones, Björn Borg en om niet te vergeten Chasin’ uitverkoren.
Eenmaal deze winkels binnengestapt, houdt hij het ook niet bij een simpele broek. Het was geen grapje, ik meende het net toen ik zei dat mijn broertje behoorlijk kan shoppen: zijn inkopen variëren van T-shirts tot riemen en van boxers tot, jawel, sokken.

Want kleren maken de man. Van top tot teen.

En om nog maar even een willekeurig voorbeeld te noemen: vanochtend kwam mijn vader helemaal enthousiast thuis. Oh jee, het is weer zover, rinkelde mijn alarmbel. Hij was naar de Zwerfkei geweest, waar hij een tal van leuke kledingstukken op de kop had weten te tikken. En als ik zeg kledingstukken, bedoel ik ook echt niet van die truien en broeken met flutkwaliteit à la H&M waar de gaten spontaan inscheuren zodra je gepind hebt en welke je natuurlijk pas ontdekt als je ze met een gretig gezicht aan wilt trekken. Nee. Als ik zeg kledingstukken, doel ik op nuttig, uniek, modieus en vooral heel erg duur(…zaam).
Maar hij hield het vandaag niet bij kledingstukken, welnee. Als ie het doet, doet ie het natuurlijk goed. Zo komt hij ook regelmatig thuis met verschillende gadgets. Gadgets voor zijn computer, zijn GPS, zijn fiets, zijn auto, zijn bureau, zijn camera. Je kunt het zo gek niet bedenken of hij heeft er wel een speciale gadget voor, waarvan alles wat hij al bezat mooier, sneller en uiteraard beter wordt. Vandaag was zijn camera de gelukkige en kwam hij thuis met een heuse camerastrap voor om zijn supersonische exemplaar. Oh, zijn geliefde camera. Waarvan mijn moeder spontaan een zuinig mondje trekt en haar ogen op standje ben-je-wel-helemaal-lekker gaan staan als ze hem ziet. Waarvan ik geen idee heb hoeveel gadgets ervoor bestaan en hoeveel hij er inmiddels heeft en waarvoor die dan allemaal wel niet dienen (…en ik vond alleen die tientallen knopjes al angstaanjagend). En waarvan hij nog steeds weigert mij eerlijk de prijs te vertellen.

Want kleren maken de man. En gadgets laten hem functioneren.

Εύδαιμονίον

maart 18, 2008

null

De studiezaal. Een vredige plek, een oase van rust, waar niemand me kan storen. Met een opgewekte uitdrukking op mijn gezicht pak ik mijn boeken. Haaa, even heerlijk doorwerken, terwijl ik geniet van de stilte, de harmonie. Oh, vreedzaamheid. Ik sla mijn boek open, pak mijn pen, en…

…verveel me vervolgens al minstens twintig minuten helemaal te pletter.

Mijn nog altijd openliggende boek – welke eerst zo nuttig leek – ligt nu doelloos en onaangeroerd op mijn tafel en ook mijn pen moest er aan gelove – …mijn pen? Welke pen? Moest ik iets opschrijven, dan? Wat – moest ik iets doen?

Ja, en een heleboel ook. Toch zit ik me hier een flink potje nutteloos te voelen, terwijl er nog zoveel dingen zijn die ik zou kunnen doen. Ontelbaar veel dingen. Mijn pen lijkt me doordringend aan te staren. Mijn boek ligt ongeduldig voor me, wachtend. De lerares, die me om de één of andere reden nauwlettend in het oog houdt, zucht geërgerd.
En alsof dat nog niet genoeg is, snerpt ook het immer strenge en helaas veel te vertrouwde Stemmetje door mijn hoofd. Ik ken Haar nu al veel langer dan me lief is, veel beter dan ik van te voren had gehoopt. Ze neemt geen blad voor Haar mond (alsof Ze überhaupt weet wat dat is – als ik het Haar zou zeggen zou Ze er naarstig naar op zoek gaan) en Ze confronteert me met dingen die ik dondersgoed weet, maar waarmee ik helemaal niet geconfronteerd wil worden. Die ik helemaal niet wil horen. Waarnaar ik helemaal niet wil luisteren.
Oh, zeg het toch niet.
Maar vandaag is Ze meedogenloos.

‘Linda, doe toch eens wat!’ Begint Ze geïrriteerd. ‘Je zit hier op school en je bent bovendien -’ Ik krimp ineen, terwijl ik hoop dat Ze haar zin niet afmaakt, maar helaas ‘- een examenleerling ! Weet je wat er gebeurt als jij elke les niks uitvoert? Dan gaat dat hele diploma mooi niet door! Sterker nog,’ Ik heb nu inmiddels de onweerstaanbare neiging gekregen op te gaan staan en gillend vierkantjes door de studiezaal te gaan rennen, ‘dan zak je! Dan heb je zes jaar voor niks je best gedaan, ben je vijf jaar voor niks overgegaan, heb je voor niks eindelijk uitgezocht wat je voor opleiding wil gaan doen, zit iedereen straks al lang en breed op een universiteit, terwijl jij nog met je luie reet hier op school zit,’ Ze raast en tiert maar verder, zonder enige adempauze. Het is bijna eng. ‘Bovendien,’ – Ze hapte zowaar even naar adem! – ‘Moet je je dan in een compleet nieuwe klas moet mengen, waar die leerlingen helemaal geen behoefte aan hebben, krijg je een minderwaardigheidscomplex, en alsof dat nog niet genoeg is, ben je weer een kostbaar jaar kwijt, ben je straks al bejaard voor jij eens een stap zet in die universiteit, kwijn je weg in zelfmedelijden, terwijl het toch ècht je eigen stomme schuld is, en en en – ’

God, wat baal ik nu dat ik mijn iPod vergeten ben.

Dat is zó vorige week

maart 15, 2008

null

‘Oh mijn God, wie doet er nou zoiets aan?’
– ‘Heb je dat gezien? Belachelijk!’
‘Als jij ooit zoiets aantrekt, ben ik je vriendin niet meer.’
– ‘Nee, het ziet er niet uit.’

Hatelijk gelach weerklinkt. Maar wie bepalen dat eigenlijk? Een stel opgetutte vierdeklassertjes, die zich geroepen voelen hun mening op een nét iets te harde fluistertoon te verspreiden.Van het woord subtiel hebben ze zeker ook nog nooit gehoord. Waar heb je dat woord überhaupt voor nodig? Zelf ben je tenminste wél cool, helemaal in de mode en allesbehalve abnormaal. Sterker nog, als vierdeklasser met een plamuurlaag waar je u tegen zegt, steek jij er natuurlijk ver bovenuit. Het is rot, maar iemand moet het doen.

Niet dat ik iets tegen vierdeklassers in het algemeen heb. Ik ken zelfs een heleboel vierdeklassers waar ik het prima mee kan vinden, maar al dat geroddel en gesteek en geklaag en gezeur altijd. Worden wij daar, als meisjes, nou nooit moe van?

Ik zou heel hypocriet zijn als ik met een volmondig ‘ja’ zou antwoorden, dus dat doe ik dan ook niet. Maar soms kan ik er toch echt even niet bij.
Wat dat betreft hebben jongens het toch een stuk makkelijker. Die doen tenminste niet zo moeilijk en maken het een stuk minder pijnlijk. Alhoewel, ze vermijden die ingewikkelde, geestelijke pijn en slaan er gewoon lustig op los. Hoppa. Hier! En daar! En nog één! Aanpakken!
Vijf minuten later is het geknok alweer voorbij (het moet natuurlijk wel leuk blijven) en is er nooit ruzie geweest.

‘k Schop wel in je ballen, maar ‘k zal je echt niet laten vallen.

Misschien is dat juist het probleem: wij hebben geen ballen. Dus kunnen we er ook niet in schoppen. In plaats daarvan, doen wij veel ergere dingen. Dat hoeft nog niet eens met woorden, zelfs een doorborende blik of een snerpende lach heeft al vernietigende krachten. En altijd komt het plotseling. Opeens ben je raar, opeens ben je stom, opeens staat je gezicht mensen niet meer aan.
Waarom?

…En dat vraag je aan mij? Ik ben dan wel een meisje, maar ik snap er soms net zo weinig van als het andere geslacht.

Waarom slaan en schoppen wij eigenlijk niet? Waarom doen we dat wel – maar dan heel omslachtig en op een eigenlijk nog veel pijnlijkere manier? We steken anderen in ruggen, krabben huiden open, bijten de gaten erin. Bij jongens verdwijnt het weer. Bij meisjes blijven de littekens altijd als een soort onvrijwillige herinnering bestaan. We roddelen er tot we erbij neervallen (wat we niet doen, tót we zelf het slachtoffer een keer zijn) en laten mensen net zo gemakkelijk vallen als dat we weer nieuwe vinden die de oude vertrouwden zonder pardon vervangen.

Misschien is het probleem ook niet eens dat we roddelen. Misschien is het juist problematisch, dat we vaak niet eens weten waarover we het hebben. Over wie we het eigenlijk hebben. Net een soort zinloos geweld, maar dan nog een tikkeltje gemener en vooral zinlozer. Ik krijg echt een punthoofd van al dat hersenloze gefluister en wanhopige geroddel.

En om eerlijk te zijn: puntig past niet bij mijn kapsel.

Voor de absolute beginner

maart 12, 2008

null

Heb jij dat ook wel eens?

Je hebt net een film gekeken, waarin de hoofdrolspeelster een abnormaal getalenteerde danseres is. Je ligt in je bed, terwijl jij die flitsende danscarrière al compleet uitgestippeld voor je ziet. Of je komt net uitgeput en bezweet thuis van een oorverdovend concert, maar je bed induiken is wel het laatste waar je aan denkt: eerst moet je nog even al luchtgitarend door je slaapkamer stampen (…en je hoeft heus niet zo spottend naar je computerbeeldscherm te kijken, want daar trap ik dus echt niet in).

Dat lijkt me zo gaaf. Dat wil ik ook.

Vorig jaar juli hakte ik dan eindelijk de knoop door. Of nee, toen kwam ik eindelijk van mijn luie reet af. Ik wilde het al meer dan een jaar (eigenlijk al jaren, maar toen was het idee nog vaag en absurd) en bedacht me elke keer als ik er weer langsgefietst was zonder er erg in te hebben, dat ik er eigenlijk wel even langs had kunnen gaan. Maar dat deed ik natuurlijk niet.
‘Doe ik volgende week wel.’
Je weet wat ze zeggen: van uitstel komt afstel.

Maar niet altijd.

Het moest weliswaar wachten tot de zomervakantie al lang en breed begonnen was, maar eindelijk stapte ik dan met een zelfverzekerde tred de City Music binnen. Eindelijk zou ik een gitaar gaan kopen. Eindelijk zat ik dan op gitaarles. Eindelijk, eindelijk, eindelijk.

Een eigen gitaar. Voor mij alleen. En niet zomaar één, oh nee. Een gloednieuwe, in de zon blinkende en van oorsprong Spaanse gitaar. Toe maar. Bewonderend streek ik over de (hoe heette dat ding ook alweer?) en aarzelend begon ik met (hoe noemde hij dat nou vorige week?).
Hoe dan ook.
Enthousiast oefende ik elke dag braaf het hele halfuur zoals me was opgedragen. Opgewekt stapte ik elke week weer op de fiets, benieuwd naar wat de volgende gitaarles met zich mee zou brengen. Trots kwam ik dan na afloop thuis, als ik er weer wat bij had geleerd en het (naar mijn idee) nog ergens naar klonk ook.

Maar geloof me alsjeblieft als ik zeg dat ik nog nooit in mijn hele leven iets zó vreselijk heb onderschat als dit.

Gitaarspelen.

Niet dat ik dacht dat het een eitje zou zijn. Ik had wel eens eerder een gitaar in mijn handen gehad en een paar akkoorden vluchtig in een middag geleerd, maar in werkelijkheid is het zoveel meer dan alleen een paar snaren en wat stoer ritmisch bewegen met je rechterarm.
Sterker nog, als het aan mijn gitaarleraar ligt, is het ook nog eens vallend, plukkend, snel, langzaam, hard, zacht, dynamisch, halve noot, hele noot, verlengde noot, herhalend, overslaand, doorklinkend, kort en krachtig, met spreiding, glijdend, eerste positie, tweede positie, vierde positie, en alsof het in het Nederlands nog niet moeilijk is, gaan we gewoon doodleuk verder in het Spaans, sul ponticello, loco, sul tasto, Dal Segno, golpe, D.S. al Fine, golpe sul tasto, marcato, staccato, legato.
Oh, en laten we ook vooral de notenwaarden, maatsoorten en rustwaarden niet vergeten!

Alsof het niets is.

Man, ik heb zo ontzettend veel respect gekregen voor mensen die goed gitaar kunnen spelen. They make it look so simple, maar dat valt je nog vies tegen. De eeltlaag op mijn vingers lijkt zich maar niet te ontwikkelen en met mijn linkerpink is het al helemaal dramatisch gesteld. Ik kan me bijna niet voorstellen dat daar ooit genoeg (buigings)kracht in zal zitten dat ik niet na een schamele drie kwartier móét stoppen, omdat een sliert spaghetti nog steviger is dan mijn pink.

Ja ja, ik weet het. Oefening baart kunst. Maar hebben ze ook niet iets tegen eventuele ongeduldigheid? Hebben ze daar ook niet zo’n pakkende term voor? El gaat vanzelvo, bijvoorbeeld? Dat zou pas mooi zijn.
Helaas. Over een jaar klinkt het misschien net ergens naar en over twee jaar mag ik pas overwegen om een elektrische gitaar te bekijken (niet aanraken, s.v.p.). Voor ik zover ben, heb ik nog een hele lange weg te gaan. Maar dat moet lukken.

Zoals mijn gitaarleraar altijd zegt: ‘Wees nooit bang om fouten te maken!’  Dan komt de rest vanzelf.

…Na een paar jaar. Maar dát zeggen ze er nooit bij.

null

Ik ga slapen, ik ben moe
Sluit mijn beide oogjes toe
Heere houdt ook deze nacht
Over mij getrouw de wacht

Dit zong ik vroeger altijd samen met mijn vader als ik naar bed werd gebracht. Het ging nog minstens zo’n acht regels verder, maar dat had vast een veel te hoog Jezus-gehalte en bovendien wisten mijn ouders toch wel dat ik nog te klein was om de diepere betekenis erachter te snappen. Sterker nog: het is me nooit opgevallen dat ik eigenlijk ‘Heere’ zong. En als me dat wel was opgevallen, had ik vast niet eens geweten wie die gozer dan wel was.

Maar nu gaat het me eigenlijk niet eens om het feit dat mijn ouders ooit een poging hebben gedaan om mij en mijn broertje christelijk op te voeden, maar uiteindelijk zelf het bijltje er maar bij neer hebben gelegd omdat ze er zelf eigenlijk ook geen hol van geloofden.

Nee.

Waar het mij vandaag om gaat: waarom kan het gewoon niet zo simpel zijn?
‘Nou jongens, ik ga slapen, want ik ben hartstikke moe!’
Dat kan ik wel zo leuk zeggen, of voor mijn part zingen, maar als ik vervolgens in mijn bed ga liggen kan ik je verzekeren dat ik nog minstens anderhalf uur klaarwakker onder mijn dekens lig.

Niet kunnen slapen? Oké. Dat is nog tot daaraan toe. Maar het ellelange poging-tot-in-slaap-val-proces is altijd zo eindeloos vermoeiend.

Je stapt afgepeigerd, uitgeput en afgemat je bed in, draait je op je zij en doet je ogen dicht. Eindelijk lig je in je warme, zachte bed. Haaa. Heerlijk. Op naar dat welverdiende schoonheidsslaapje.
-tien minuten later-
Krijg nou wat. Waarom ben je nog steeds wakker? Nou ja, het zal wel loslopen. Met goede hoop en een ontspannen zucht draai je je om, op je andere zij. Welterusten.
-halfuur later-
Hm. Met een argwanende blik, gericht op het duister van je donkere kamer, ga je op je rug liggen. Hier klopt iets niet. Net rolde je nog bijna van de bank af van de slaap en nu lijk je weer – ach. Als je je daar nu druk om gaat maken, slaap je over honderd jaar nog niet. Verstand op nul, ogen dicht, slapen. De ochtend is nog ver weg.
-uur later-
Geïrriteerd ga je op je buik liggen, terwijl je weet dat dat helemaal niet lekker ligt en je daarvan al helemaal nooit in slaap zult vallen. Ja. Inderdaad. Je bent nog altijd wakker. En niet zo’n klein beetje ook. Zelfs het gapen lijkt je vergaan te zijn. Toch doe je hardnekkig je ogen dicht en blijf je koppig denken, je er zelf mee proberend te overtuigen: ‘Ik slaap, ik slaap, ik slaap…’
-twee uur later-
…niet.

En alsof dat nog niet erg genoeg is, is het ook áltijd zo wanneer je de volgende ochtend vroeg uit je bed moet. Net zoiets als dat het zondagochtend is en je niet uit kunt slapen en om acht uur al klaarwakker naast je bed staat. (Nu moet ik wel eerlijk toegeven dat dit minder vaak voorkomt. De woorden ‘acht uur ’s ochtends’ en ‘klaarwakker’ komen bij mij meestal niet voor in combinatie met ‘zondagochtend’.)

Het is stomvervelend als je niet kunt slapen. Het gevoel dat je klaarwakker bent, terwijl dat ’s ochtends als je wekker gaat nooit zo is. Het gevoel dat je die tienduizend dingen op dat moment net zo goed zou kunnen doen, terwijl je het de volgende dag met lucifers tussen je oogleden nog maar net haalt tot aan het midden van je nog-te-doen-lijstje. Het verraderlijke gevoel van valse hoop, dat je het de volgende nacht dan wel weer inhaalt…

…En vervolgens weer niet kunt slapen.

Ik weet niet wat Klaas Vaak met z’n zand doet, maar ik geloof niet dat dat het enige is wat ie onderweg is verloren.

null

Precies een week geleden zat ik nu op het zonovergoten dakterras van ons gehuurde huisje op Madeira. Het is niet eerlijk. Je hoeft maar een simpele twintig graden dichter naar de evenaar te zakken (alle vertragingen en slecht geregelde huurautobedrijven even daar gelaten) en je bevindt je in een waar paradijs.

Alhoewel, paradijs? Sla een reisgids open en je wordt meteen doodgegooid met puur op-toeristen-beluste loktermen, maar in werkelijkheid is die strakblauwe lucht lang niet altijd zo blauw als ze beweren.

En zo zijn er nog wel meer dingen die onverwacht op ons pad kwamen.

Madeira oogt misschien als een paradijs, maar na één dag op het eiland doorgebracht te hebben, kun je niet anders dan tot de conclusie komen dat Madeira een heel raar eiland is. Het is eigenlijk een compleet rotsige gatenkaas, bewoond door een altijd verbaasde bevolking, terwijl je overal door een onbestemde geur wordt achtervolgd.

Laat me dit even toelichten.

Gatenkaas
Heb je ooit wel eens door zoveel tunnels gereden, dat je op een gegeven moment ging denken dat het al nacht was, waarna je met een halve jetlag het daglicht opeens weer tegemoet reed? Ik wel. Je kunt na al een kwartier rijden de ene berg waar je doorheen bent gereden niet meer onderscheiden van de andere.
Nog niet eens zo lang geleden waren enkele dorpjes en zelfs een aantal kleine steden slechts bereikbaar per boot, maar daar is sinds de infrastructuur radicaal is vernieuwd een oplossing voor gekomen: tunnels, dus.
Overal.
Altijd.
Nu moet ik eerlijk toegeven dat ik niet zoveel tegen tunnels heb (afgezien van het feit dat het razend irritant is als je net meeblèrt met de radio, het geluid verandert in ruis en het vervolgens opeens helemaal verdwenen is), maar je zou toch maar als claustrofobisch persoon onvoorbereid op Madeira stranden.

Verbaasd
Madeira is een eiland, het is er nooit kouder dan 18 graden en overal waar je kijkt strekt de golvende blauwe zee zich uit tot aan de horizon. Dat lijken me drie typische onweerstaanbare factoren waar elke toerist voor zwicht.
Toch lijkt het alsof de bevolking op Madeira nooit heeft kunnen wennen aan het begrip ‘toerist’. Wat betekent dat, waar je ook heen gaat – variërend van een drukke stad tot een simpel dorpje met tweeënhalve inwoner – je wordt aangestaard alsof je een druppel snot aan je neus hebt hangen.
En als ik je dit vertel, overdrijf ik niet – het zijn net een stel kleine kinderen. Je kent het vast wel: je zit op je fiets en voor je fietst een moeder op verbazingwekkend snel tempo, ondanks haar vijf boodschappentassen en het kind dat ze ook nog achterop vast heeft weten te binden. En interessant als je bent, zit het kindje de hele rit steeds half omgedraaid ongegeneerd naar je te staren.
…Zo is de gemiddelde Madeiranees ook, maar dan nog een graadje erger. Openhangende monden, gevaarlijk uitpuilende ogen, en het klinkt misschien onnatuurlijk, maar ze knipperen nooit.

Geur
Ooit een Madeiraanse banaan gezien? Hij is net zo krom als de onze, alleen een maatje kleiner. En in Madeira hangt het er vol mee. Overal in landschap staan er bloeiende bananenbomen en de schappen met bananen in de supermarkt geraken dan ook nooit leeg.
Ooit Madeiraanse vis gegeten? Ik niet. Je wil de visafdeling bij de supermarkt niet zien. Ze vissen en ze vangen, waarna ze het zonder pardon onaangeroerd in de koeling droppen. Als je je boodschappen wil doen moet je de visafdeling zeker vermijden, want je hebt net het gevoel alsof je in een verdwaalde aflevering van Big Brother zit. (zie ook het stuk onder het kopje ‘Verbaasd’)
Wat ik dan zit te zeuren over één of andere onaangename geur?
In heel Madeira hangt er een muffe, zoetige walm van enerzijds in-de-zon-broeiende banen en anderzijds dooie, starende vissen. Als je een zwakke maag hebt, kun je maar beter terugkeren naar je oude vertrouwde camping in Zuid-Frankrijk.

Maar verder is er niks mis met Madeira, hoor.

En ik moet eerlijk toegeven: na een inspannende toetsweek en een examenleerling-onvriendelijke schoolperiode, lijken de tunnels opeens een stuk minder donker en is die bedwelmende geur meer dan welkom!

null

…komt het vanzelf weer in de mode. Dit was één van de vele wijsheden van Mevrouw Blok, mijn Grieks – en Latijnlerares in de tweede en de derde klas.
Ze was er heilig van overtuigd dat haar krullige bloempotkapsel, uilenbril met dikke jampotglazen en eeuwige bruine slobbertrui ooit weer met trots geshowd zouden worden door beroemde mannequins.

Zo was Mevrouw Blok wel van meer dingen overtuigd. Voornamelijk van zichzelf, natuurlijk. En dat liet ze vaak genoeg merken.

Ze wond er dan ook geen doekjes om als je iets fout deed en schold er lustig op los. ‘Trul’ en ‘tuttemerul’ zijn nog maar twee simpele voorbeelden van haar uitgebreide vocabulaire, waarmee ze ons dagelijks om de oren slingerde.
En dat is maar goed ook. Waar andere leraren met een milde glimlach en een vriendelijk knikje probeerden duidelijk te maken wat je dan ‘niet zo goed’ had gedaan, blèrde Mevrouw Blok zonder blikken of blozen dat je misschien eens moest overwegen jezelf na te laten kijken.

‘Dat interesseert me de rozen!’ Ja. Het kon haar ook absoluut niets schelen wat wij vonden van de royale hoeveelheden huiswerk waarmee ze ons altijd opzadelde. En denk maar niet dat ze om te kopen was of uiteindelijk toch toegaf aan onze smekende, zoete gezichtjes: huiswerk is er om te maken, niet om te minderen.
Wat nu, als je op een middag met immens grote tegenzin je boeken had gepakt, een halfuur naar alleen al de titelpagina had gestaard, maar uiteindelijk niet in in staat was geweest iets te maken?

‘Lui zwijn!’

Juistem. Niks te ‘Ja maar, ik had hoofdpijn!’ of ‘Ja maar, mijn oma lag in het ziekenhuis!’. Klets niet. Van hoofdpijn val je niet spontaan dood neer en zieke oma’s hebben er niks aan als hun kleinkinderen straks niet slagen.
Kortom: maken die handel, stelletje piesemieters!

Als je nu vol afkeer naar je beeldscherm staart, omdat je geen idee hebt over wie ik het heb en je je een onredelijke lerares van het allerergste dictatorsoort voorstelt, kan ik je geruststellen: dat was Mevrouw Blok allerminst.
Zelf gaf ze bijvoorbeeld regelmatig toe dat ze geen ‘klont’ snapte van computers en zich naar eigen zeggen ‘rottig’ zocht naar de veel te kleine toetsjes op het toetsenbord. Wat overigens meteen verklaart wat precies haar proefwerken altijd zo onleesbaar maakte: ze schreef ze zelf.
Als wij daar dan iets van zeiden, moesten we weliswaar niet zo ‘pruttelen’, maar soms kon ook zij er niet omheen: er viel gewoon geen kaas van te maken.
Ook was het absoluut niet zo dat Mevrouw Blok zich een boven-de-leerlingen-geheven docente voelde die dacht dat ze alle wijsheid in pacht had, maar soms zélf juist degene was die het hardst boven iedereen uitriep dat ze er weer eens geen ‘klont’ van snapte en dat het toch ook ‘poepiemoeilijk’ was allemaal (en gelijk heeft ze).

Bovendien beschikte ze over een behoordelijk dosis zelfspot.
‘Zo achterlijk ben ik nou toch ook weer niet?’
Korte stilte.
‘…Nou!’
Een onmisbare eigenschap voor iedereen die zich een goeie docent wil kunnen noemen.

Maar eerlijk is eerlijk: met Mevrouw Blok viel niet te spotten. Niet door anderen, in elk geval. Ze nam geen blad voor de mond en zei ook geheel eerlijk waar het op stond: niet van dat softe gedoe, dus. Hieronder volgen een paar voorbeelden. Want als Mevrouw Blok zijnde, wat zeg je als…

…je al de hele les in de weer bent met zakdoekjes en er geen einde lijkt te komen aan die loopneus?
– ‘Ben snotverkouden en da’s jullie schuld!’

…de leerlingen niet de kennis bezitten die je van ze verwacht?
– ‘Ik krijg uitgeperste hersens van die uitgedroogde hersens van jullie!’

…de leerlingen weer eens langzaam zitten te doen?
– ‘Ik word toch ook gewieberd hiervan…’

… leerlingen smeken om huiswerkvermindering?
– ‘Ja, ben Gekke Gerritje!’

…een leerling dezelfde fout maakt voor de derde keer op een rij?
– ‘Gloeiende keutels!’

…leerlingen voor de zoveelste keer iets verkeerd vertalen?
– ‘Jullie lezen ook zo piemelig als de pest!’

…je alweer een leeg pakje Wicky en een verfrommeld snoeppapiertje in de vensterbank aantreft?
– ‘Jullie schijten alles ook overal maar neer!’

…de schooltassen van tegenwoordig nog steeds in omvang toe te lijken nemen?
– ‘Wat heb jíj een grote tas, zeg! Het lijkt de Mont Blanc wel!’

Mevrouw Blok was een lerares die me altijd bij is gebleven en dat zal ze waarschijnlijk altijd blijven doen, met haar altijd opmerkelijke woordkeuze en uiterst scherpe meningen. Het is ontzettend zonde dat zo iemand op een gegeven moment toch met pensioen moet, omdat we in Nederland weliswaar heel lang verplicht zijn te werken, maar we het natuurlijk niet moeten overdrijven.
Het is zelfs bijna vreemd als ik iets over mevrouw Blok wil vertellen, en de Blok-loze generaties die na haar pensioen volgden me appellig aanstaren en zich afvragen of het wel helemaal goed met me gaat.

Die leerlingen missen wat.
Zonde.
Want leerlingen moet je opvoeden. Leerlingen moet je verzorgen. Leerlingen moet je klaarstomen voor de examens en de grote boze wereld die zich daarna onontkoombaar aan je opdringt. En dat wist mevrouw Blok als geen ander.

‘Eerbied voor de jeugd!’

Hatsekidee.

Welkom

maart 2, 2008

Hoi allemaal!

Al eeuwen wil ik een Weblog, maar nooit vond ik de tijd om er één aan te maken (lees: er was wel tijd, maar mijn luiheid stond me in de weg). Op een late zondagavond, op een tijdstip waarop je dán al voelt dat je je wekker de volgende ochtend vroeg keihard uit zal lachen, was het moment dan eindelijk daar. Een weblog. Helemaal van mij.
Eindelijk kan ik mijn zinloze gebrabbel ook op internet zetten en het met andere mensen delen.
Ha, fijn.
Daar zaten ze net op te wachten.

Eén klein probleempje: ik ben niet zo van de deadlines en het trouwe gepost op altijd dezelfde tijdstippen en het ontbreekt me ook nog wel eens aan inspiratie, dus ik kan niets beloven. Maar ik ga mijn best doen!

Liefs, Linda